Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
16/7892 WSF-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. De minister heeft terecht en in navolging van het advies van EP-Nuffic de conclusie getrokken dat de door verzoekster gevolgde opleiding in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar is met een opleiding aan de Open Universiteit in Nederland en dat een dergelijke opleiding niet als een voltijdopleiding kan worden aangemerkt waarvoor recht op studiefinanciering bestaat. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet de student, maar de onderwijsinstelling bepaalt of een opleiding voltijds of deeltijds is en dat volgens de gegevens die de Open Universiteit aan het Centraal register opleidingen hoger onderwijs heeft aangeleverd de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid enkel als deeltijdonderwijs wordt aangeboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7892 WSF-VV

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 november 2016, 16/4630 en 16/4631 (aangevallen uitspraak), en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Kuijper. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van 28 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij dit bestreden besluit heeft de minister zijn besluit van 8 juni 2016, waarbij de minister de aanvraag van verzoekster om haar met ingang van 1 oktober 2016 studiefinanciering toe te kennen heeft afgewezen, gehandhaafd. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat verzoekster de bacheloropleiding Laws aan de Open University in Milton Keynes in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland volgt. Uit een advies van EP-Nuffic blijkt dat deze opleiding enkel wordt aangeboden als een distance learning programma. Dit betreft afstandsonderwijs en wordt vergeleken met een deeltijdopleiding. Alleen voltijdsopleidingen geven recht op studiefinanciering en daarom geeft de opleiding die verzoekster volgt geen recht op studiefinanciering.

2. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in dit verband, samengevat, aangevoerd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat afstandsonderwijs niet alleen in deeltijd maar ook, zoals in verzoeksters geval, in voltijd gevolgd kan worden. Volgens verzoekster ontbreekt een wettelijke grondslag om afstandsonderwijs te scharen onder het deeltijdonderwijs.

3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als het onderhavige mede de vraag in beeld of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, met dien verstande dat voor zover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de bodemprocedure.

3.2.

De minister heeft ter zitting toegelicht dat de bacheloropleiding Laws aan de Open University in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar is met de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit in Nederland. Voor beide opleidingen bestaan geen vooropleidingseisen, beide opleidingen worden gevolgd in de vorm van afstandsonderwijs, beide opleidingen kunnen gevolgd worden op een tijdstip die de student het beste past en voor beide opleidingen geldt dat wordt ingeschreven per module (onderwijseenheid). De minister heeft daarbij gewezen op het bepaalde in artikel 7.32 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waarin in het derde en vierde lid is bepaald dat een student zich inschrijft voor een opleiding voor het gehele studiejaar, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden. Volgens de minister kunnen bij afstandsonderwijs – net als bij het contractonderwijs dat door sommige Nederlandse universiteiten wordt aangeboden – modules worden gestapeld in een collegejaar, maar dat leidt niet tot de conclusie dat sprake is van voltijdonderwijs.

3.3.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister terecht en in navolging van het advies van EP-Nuffic de conclusie getrokken dat de door verzoekster gevolgde opleiding in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar is met een opleiding aan de Open Universiteit in Nederland en dat een dergelijke opleiding niet als een voltijdopleiding kan worden aangemerkt waarvoor recht op studiefinanciering bestaat. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet de student, maar de onderwijsinstelling bepaalt of een opleiding voltijds of deeltijds is en dat volgens de gegevens die de Open Universiteit aan het Centraal register opleidingen hoger onderwijs heeft aangeleverd de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid enkel als deeltijdonderwijs wordt aangeboden.

3.4.

Uit 3.2 en 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak naar verwachting in de bodemprocedure in stand zal blijven. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.S.E.S. Umans

NW