Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
15/7283 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld op grond van de ZW. Zorgvuldig medisch onderzoek. Bij het laten vervallen van de functie medewerker kleding en textielreiniging blijven voldoende functies over, waarvoor appellante niet ongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7283 ZW

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 september 2015, 15/4101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Bingöl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bingöl. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als ondersteunend medewerker voor 31,86 uur per week toen zij zich op 16 februari 2010 ziek meldde met psychische klachten en huidklachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van

14 februari 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellante per 14 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht functies als productiemedewerker, medewerker kleding en textielreiniging en samensteller kunststof- en rubberindustrie te vervullen.

1.2.

Appellante heeft zich op 6 januari 2015 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op

16 maart 2015 heeft zij het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts. Deze arts heeft appellante per 17 maart 2015 geschikt geacht voor de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2015 vastgesteld dat appellante per 17 maart 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen deze beslissing heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 april 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen en dat appellante per 17 maart 2015 in staat moet worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Daartoe heeft appellante gewezen op de brief van haar huisarts van 26 maart 2015 waarin deze heeft opgemerkt dat het vrijwel uitgesloten is dat appellante op korte termijn volwaardig aan het arbeidsproces kan deelnemen. Appellante heeft verder gewezen op een brief van I-Psy van

23 maart 2015 waarin de behandelend psycholoog, arts en psychiater benadrukken dat appellante zeer belast is met allerlei psychische, somatische en psychosociale problemen waardoor ze in draagkracht verminderd is en energetisch niet belastbaar is. Appellante heeft aangevoerd dat het werk in de geselecteerde functies haar belastbaarheid overschrijdt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellante is onderzocht, dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante is meegewogen en dat daarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel aan het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 april 2015 blijkt dat de informatie van de behandelaars inzichtelijk is betrokken bij de beoordeling. Terecht heeft deze arts opgemerkt dat die informatie geen nieuwe medische inzichten bevat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op begrijpelijke wijze en overtuigend uiteengezet dat bij de WIA-beoordeling in 2012 lichamelijke en forse psychische beperkingen zijn aangenomen en sindsdien geen wezenlijke veranderingen zijn opgetreden. Ondanks dat de behandelaars van I-Psy te kennen hebben gegeven dat de depressieve klachten van appellante in de afgelopen periode vermeerderd lijken te zijn, is de door hun gestelde diagnose (matige depressie) dezelfde als eerder (in 2012) gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft van belang mogen achten dat appellante ADL-zelfstandig is, alleen woont, zorg draagt voor het huishouden, kookt en boodschappen doet en dat op en rondom de datum in geding geen indicatie was voor een gedecompenseerd beeld waarvoor opname of intensieve behandeling nodig was.

4.4.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen compleet beeld had (en heeft) van de medische situatie van appellante rond de datum in geding. Uit de informatie van de behandelaars komen geen gegevens naar voren die op andere of ernstiger beperkingen wijzen dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Aan de stelling van de huisarts zoals vermeld onder 3.1 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen, omdat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Niet volwaardig aan het arbeidsproces deelnemen is bovendien niet hetzelfde als niet kunnen werken. Ter zitting is nog de mogelijkheid van het inschakelen van een onafhankelijk deskundige besproken. Uit het voorgaande volgt echter dat daartoe onvoldoende aanknopingspunten bestaan.

4.5.

De stelling van appellante ter zitting dat de functie medewerker kleding en textielreiniging niet (meer) geschikt is voor haar, omdat in die functie met schoonmaakmiddelen wordt gewerkt, mist feitelijke grondslag. Dat met schoonmaakmiddelen wordt gewerkt blijkt immers niet uit de functieomschrijving. Bij het resultaat functiebeoordeling staat bovendien dat de huid alleen in contact komt met wol en linnen. Bovendien is de geschiktheid voor een van de geselecteerde functies voldoende om aan te nemen dat geen sprake is van ongeschiktheid voor werken. Bij het laten vervallen van de functie medewerker kleding en textielreiniging blijven voldoende functies over, waarvoor appellante niet ongeschikt is.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM