Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/5182 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Geen melding maken van onroerend goed in Turkije. College bevoegd op grond van art. 53aWWB onderzoek in te stellen. Zorgvuldig IBF onderzoek. Betrokkene kon beschikken over onroerende zaken, waarvan de waarde de vermogensgrens overschreed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5182 WWB

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2015, 14/5342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. Duineveld, mr. M. van der Fluit en A.T. Zwarthoed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving - met een onderbreking in 1995/1996 - vanaf 7 juli 1990 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij was gehuwd met [S.] (S) en is van hem gescheiden op 26 januari 1996.

1.2.1.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 1 juli 2011 dat appellante onroerend goed bezit in Turkije, in de gemeente [A.], heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht om in Turkije een onderzoek in te stellen naar het bezit van onroerend goed van appellante. Dit onderzoek is uitgevoerd door een buitendienstmedewerker van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau). De buitendienstmedewerker heeft de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek Turkije van 29 november 2011. Daarin staat onder meer het volgende. Bij de afdeling onroerende zaak belasting van de gemeente [A.] staan op naam van appellante een appartement en een aandeel van 1/6 in een andere woning (woningaandeel) geregistreerd. Appellante heeft belastingaangiftes ingediend voor het appartement dat zij sinds 1996 volledig bezit en voor het woningaandeel, welk aandeel zij sinds 26 januari 2006 bezit. Met behulp van adres- en kadastrale gegevens vond de buitendienstmedewerker in aanwezigheid van een lokale taxateur de woning waarvan appellante het woningaandeel bezit. Na aanbellen werd de deur geopend door een vrouw, die verklaarde dat zij de woning huurde van een man die in Nederland woont en dat zij appellante niet kent. Van deze woning heeft de buitendienstmedewerker foto’s gemaakt. Met behulp van adres- en kadastrale gegevens vond de buitendienstmedewerker in aanwezigheid van een lokale taxateur het appartement dat appellante bezit. Op de intercom van het appartement stond de naam van S. Bij de ingang werd een man aangetroffen die zich voorstelde als de portier van het appartementencomplex. Deze man verklaarde dat hij appellante kent, dat appellante hier soms met S komt en soms alleen, dat het appartement van hen is en dat appellante en S het appartement zelf gebruiken als ze hier zijn. De taxateur heeft de waarde van het appartement per heden - 29 november 2011 - vastgesteld op - omgerekend - € 30.000,- en de waarde van de andere woning op

- omgerekend - € 40.000,-.

1.2.2.

Onder de door het IBF ingezonden stukken bevinden zich een aantal belastinggegevens. Uit deze gegevens komt naar voren dat naast het appartement en het woningaandeel een stuk bouwgrond van 112 m2 op naam van appellante staat geregistreerd.

1.2.3.

Medewerkers van de gemeente Heemskerk hebben naar aanleiding van de rapportage van 29 november 2011 en de daarbij behorende (belasting)gegevens op 26 juni 2013 een gesprek met appellante gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellante verklaard dat het appartement niet van haar is, maar van andere familieleden, dat het appartement alleen maar op haar naam is gezet en dat zij andere mensen toestemming heeft gegeven om het onroerend goed op haar naam te zetten. Appellante wilde niet zeggen wie die andere mensen waren en verklaarde vervolgens dat zij geen antwoord meer kon geven op de vragen die werden gesteld.

1.2.4.

Appellante heeft in augustus 2013 de volgende stukken ingeleverd.

- Een notariële volmacht van 6 augustus 2013 van appellante aan M. Akbas om het onroerend goed waarvan appellante aandeelhouder is, in het kadaster geregistreerd als perceel [perceelnummer], in zijn geheel of gedeeltelijk te verkopen.

- Een eigendomsakte van 30 januari 2006, waaruit blijkt dat appellante op 17 juli 1995 een stuk grond van 67 m2 van haar in 1994 overleden moeder heeft geërfd, dat haar vijf broers en zusters ook een stuk grond van die omvang hebben geërfd en dat het totale stuk grond van

402 m2 dat is geërfd deel uitmaakt van perceelnummer [perceelnummer] met een totale oppervlakte

van 1.332 m2 (perceel [perceelnummer]).

- Een eigendomsakte van 18 januari 2011 waaruit blijkt dat appellante het gronddeel van haar zus heeft gekocht voor € 5.000,- en dat zij sinds die datum eigenaar is van 28/333ste deel van perceel [perceelnummer].

- Een document ‘belastingbetaler aangiftegegevens document’ van de Dienst Financiële Diensten van de gemeente [A.] van 22 juli 2013 (belastingdocument), waarin is opgenomen dat appellante drie onroerende zaken bezit, te weten het appartement met een marktwaarde van € 38.838,50, een stuk grond van 112 m2, te weten 28/333ste deel van perceel [perceelnummer], met een marktwaarde van € 9.318,62 (bouwgrond), en het woningaandeel met een marktwaarde van € 7.309,93. De woning waarin appellante een aandeel bezit, is gelegen op een stuk grond van 402 m2 van perceel [perceelnummer].

- Een eigendomsakte van 24 juli 2013, waarin is opgenomen dat appellante het appartement door verkoop heeft overgedragen aan S en dat de verkoopwaarde € 39.000,- is.

- Een notariële verklaring van appellante van 24 juli 2013, waarin zij verklaart dat het appartement door een vergissing op haar naam was geregistreerd en dat zij het appartement om niet heeft overgedragen aan S.

1.2.5.

De medewerkers hebben op 23 januari 2014 opnieuw een gesprek gevoerd met appellante. Tijdens dat gesprek heeft appellante, kort weergegeven, het volgende verklaard.

- Geconfronteerd met het op haar naam staande appartement: het appartement stond wel op haar naam, maar was feitelijk van S. Het betreft een coöperatieve woning waarop kon worden ingeschreven. S heeft dit geregeld en ook maandelijks een bedrag aan de aannemer betaald. De zus van appellante had een volmacht van S en heeft misbruik gemaakt van de situatie door het appartement op naam van appellante te zetten. Appellante wist hier niets van af, pas later heeft zij vernomen dat het appartement op haar naam stond.

- Geconfronteerd met het woningaandeel: de grond met daarop de woning was van haar moeder. De oudste zus van appellante heeft daar altijd gewoond, mondeling is afgesproken dat de woning van deze zus was. De zus van appellante woonde er altijd al. De woning is nu onbewoonbaar verklaard.

- Geconfronteerd met het bezit van 112 m2 bouwgrond: op dit stuk grond staat de woning waarover het hiervoor ging.

- Geconfronteerd met de aankoop van grond op 18 januari 2011: appellante heeft de grond niet gekocht. Zij heeft een deel van de woning geschonken gekregen en hierbij dus ook de grond waarop de woning staat.

1.2.6.

De medewerkers van de gemeente Heemskerk hebben de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een ‘rapportage hoogwaardige handhaving’ van 25 juni 2014.

1.3.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 25 juni 2014 de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2010 tot 19 april 2013 (periode in geding) te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 55.897,73 van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante drie onroerende zaken in Turkije heeft, te weten een appartement, een stuk bouwgrond en een woningaandeel, met een totale waarde van € 55.467,05, en daarvan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college.

1.4.

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat S sinds 1 januari 2006 economisch eigenaar is van het appartement, dat de erfenis van de moeder destijds over zes personen is verdeeld, dat de zus van appellante haar deel om niet aan appellante heeft overgedragen, waardoor appellante thans 112 m2 grond heeft, dat de zus van appellante in 1983 op het stuk grond een huis heeft laten bouwen, dat het huis thans onbewoonbaar is verklaard, dat appellant nimmer het woningaandeel heeft geërfd en dat zij dus slechts eigenaar is van een stuk grond van 112 m2.

1.5.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de vertegenwoordiger van het college verklaard dat om de volgende reden de bijstand is ingetrokken en teruggevorderd over de periode in geding. Over deze periode kon de waarde van de onroerende zaken precies worden berekend. De inlichtingenverplichting gold sinds 1 juli 1997, maar het is lastig om sindsdien de waarde van de onroerende zaken vast te stellen. Gebruik is gemaakt van de interingsperiode, die loopt van 1 januari 2010 tot 13 juni 2013.

1.6.

Bij besluit van 14 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de anonieme melding onvoldoende concreet en gedetailleerd was om een gegronde reden te kunnen vormen om in Turkije een vermogensonderzoek in te stellen. Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt niet dat er een gerechtvaardigd vermoeden was van het bezit van een woning dan wel een onroerende zaak en dat dit de reden zou zijn voor het doen van onderzoek.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 53a van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231), kan deze bevoegdheid (algemene bevoegdheid) steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en is daartoe geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Bovendien was er, zoals blijkt uit de rapportage van

25 juni 2014 en in het verweerschrift nader toegelicht, op 1 juli 2011 een anonieme melding van een familielid van appellante ontvangen, welke melding was gericht op het bezit van appellante van onroerend goed in Turkije, waarbij tevens de plaats van het onroerend goed was vermeld. Niet valt in te zien dat het college op grond daarvan niet een vermogensonderzoek in Turkije mocht instellen.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Zij wijst er in dit verband op dat in het dossier de onderzoeksvraagstelling aan het IBF ontbreekt en dat het college in de stelling van appellante dat de op de foto van de buitendienstmedewerker getoonde woning niet haar woning is, maar die van [G.] (G), ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de zaak terug te koppelen naar het IBF.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het enkele feit dat de onderzoeksvraagstelling ontbreekt, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, te minder nu uit de rapportage de vraagstelling in toereikende mate valt te herleiden. Afgezien hiervan, blijkt uit de rapportage van 29 november 2011 dat het onderzoek was gericht op het bezit van onroerende zaken van appellante in de gemeente [A.]. Appellante heeft wel gesteld dat de op de foto van de buitendienstmedewerker getoonde woning niet van haar is, maar van G, en dat de verkeerde woning is getaxeerd, maar zij heeft deze stelling niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de buitendienstmedewerker zich voor het bepalen van de plaats van de woning heeft gebaseerd op adres- en kadastrale gegevens, was er voor het college geen aanleiding om de stellingen van appellante voor nader onderzoek voor te leggen aan het IBF.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat niet is gebleken dat de buitendienstmedewerker die het onderzoek in Turkije heeft uitgevoerd daartoe ook bevoegd was. Het was aan het college om de mandatering van deze medewerker op te vragen.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Mandatering is hier niet aan de orde, aangezien geen besluitvorming heeft plaatsgevonden door de buitendienstmedewerker die het onderzoek in Turkije heeft uitgevoerd. De Raad wijst er hierbij voor de volledigheid nog op, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1835, dat dergelijke medewerkers in dienst zijn van de Sociale verzekeringsbank en hun onderzoekswerkzaamheden dus verrichten in het kader van de vervulling van een publieke taak.

4.7.

Uit de belastinggegevens bij de rapportage van 29 november 2011 en uit de door appellante zelf in augustus 2013 verstrekte gegevens blijkt dat in de periode in geding de volgende onroerende zaken op naam van appellante hebben gestaan: het appartement, de bouwgrond, tot 18 januari 2011 ter grootte van 67 m2 en vanaf die datum van 112 m2, en het woningaandeel.

4.7.1.

Appellante heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat niet zij, maar S eigenaar is van het appartement. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat appellante haar stelling op dit punt ook in hoger beroep niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Uit de in 1.2.5 genoemde eigendomsakte van 24 juli 2013 blijkt dat appellante het appartement door verkoop heeft overgedragen aan S en dat appellante dus - zoals zij ter zitting van de Raad ook heeft bevestigd - kon beschikken over het appartement. Daarnaast heeft appellante wisselend verklaard over de achtergrond van de registratie van het appartement op haar naam. Zij heeft immers op 26 juni 2013 verklaard dat zij daarvoor toestemming had gegeven aan familieleden, op 24 juli 2013 dat de registratie op haar naam een vergissing was en op

23 januari 2014 dat haar zus destijds bewust buiten medeweten van appellante het appartement op naam van appellante had geregistreerd.

4.7.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de woning die in de rapportage van 29 november 2011 is aangewezen niet van haar is, maar aanvankelijk een onverdeeld erfgoed betrof dat inmiddels in eigendom is van G en dat de verkeerde woning is getaxeerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. De beschikbare belastinggegevens laten aan duidelijkheid niets te wensen over en wijzen uit dat appellante in de periode in geding beschikte over zowel een stuk bouwgrond als het woningaandeel. Zoals in 4.4 al is overwogen, heeft appellante haar stelling dat de getoonde woning niet van haar is, maar van G, en dat de verkeerde woning is getaxeerd niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.8.

Appellante heeft ter zitting van de Raad verzocht het onderzoek te heropenen, om nader onderzoek te laten verrichten in verband met de onderbouwing van de stelling dat is uitgegaan van de verkeerde woning waarin appellante een aandeel zou bezitten. Hiervoor bestaat geen aanleiding, reeds omdat in wat appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten te vinden zijn voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de buitendienstmedewerker en/of van de beschikbare belastinggegevens.

4.9.

Gelet op de rapportage van 29 november 2011 en de beschikbare belastinggegevens moet als vaststaand worden aangenomen dat appellante in de periode in geding beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over onroerende zaken met een waarde die de voor haar geldende vermogensgrens in die periode ruimschoots te boven ging. Voorts staat vast dat appellante van deze onroerende zaken geen melding heeft gemaakt bij het college. Als gevolg daarvan heeft het college appellante ten onrechte bijstand verleend. Gelet hierop was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht de bijstand van appellante over de periode in geding in te trekken en de kosten van de verleende bijstand over die periode op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB van appellante terug te vorderen.

4.10.

Appellante heeft aangevoerd dat volledige terugvordering met terugwerkende kracht dient te worden beschouwd als kennelijk onredelijk. Zij stelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de ingrijpende gevolgen van de terugvordering voor het dagelijks leven van appellante.

4.11.

De beroepsgrond dat volledige terugvordering met terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is, slaagt niet. Voor toetsing van het terugvorderingsbesluit aan artikel 3:4,

tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat immers, gelet op het verplichtende karakter van dat besluit op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB, geen ruimte.

4.12.

Voor zover appellante met haar stelling dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de ingrijpende gevolgen van de terugvordering voor het dagelijks leven van appellante heeft willen betogen dat sprake is van dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de WWB, slaagt dit betoog evenmin. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Met de enkele, ter zitting van de Raad naar voren gebrachte, stelling dat appellante haar hele leven in de bijstand zal zitten en het bedrag nooit zal kunnen terugbetalen en dat zij medische klachten heeft die door de terugvordering zijn verergerd, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld.

4.13.

Uit 4.2 tot en met 4.12 volgt dat het beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD