Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/3365 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen onroerend goed in Suriname. Onverdeelde nalatenschap. Betrokkene had aandeel in nalatenschap kunnen opeisen. Svb bij vaststellen vermogen terecht uitgegaan van het aandeel van betrokkene in de nalatenschap. (helft plus eenzesde van de andere onverdeelde helft.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3365 WWB

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

31 maart 2015, 14/2841 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Güner, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben een reactie ingezonden op vragen van de Raad. De Svb heeft bovendien nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Blok, kantoorgenoot van mr. Güner. Tevens is verschenen B. Sukhai als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 26 januari 2009 getrouwd met [R.] (R). Appellant en R ontvingen sinds februari 2009, in aanvulling op het pensioen van appellant ingevolge de Algemene Ouderdomswet, een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 17 maart 2011 dat appellant twee woningen in Suriname heeft, waaronder een woning aan [het adres nr.] 48 te Paramaribo, heeft een medewerker van de Svb onderzoek verricht naar het recht op bijstand van appellant. Dit onderzoek heeft niet geleid tot voor het recht op bijstand relevante gegevens.

1.3.

Appellant heeft, in het kader van een controlesteekproef van de Svb, op 6 september 2011 een formulier 'Verblijf buiten Nederland' (formulier) ingevuld. Hij heeft op dat formulier vermeld dat hij en R van 2 juni 2011 tot en met 22 september 2011 buiten Nederland hebben verbleven, op [het adres nr.] 52 te Paramaribo.

1.4.

De attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Paramaribo heeft naar aanleiding hiervan op verzoek van de Svb onderzoek gedaan naar onroerende zaken in Suriname op naam van appellant. In e-mailberichten van de attaché van 23 en 29 mei 2012 schrijft hij dat op het perceel aan [het adres nr.] 52 te Paramaribo een ouderlijke woning en twee kleine woningen staan (onroerende zaken). Deze onroerende zaken vallen in de onverdeelde boedel van [J.] (J), de [in] 1992 overleden echtgenoot van R. Volgens een in opdracht van de attaché verrichte taxatie komt de waarde van de onroerende zaken uit op een bedrag ver boven het hier geldende vrij te laten vermogen.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluiten van 18 juli 2013 de AIO-aanvulling van appellant met ingang van februari 2009 in te trekken en de in de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.603,03 van appellant terug te vorderen.

1.6.

De Svb heeft het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 25 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de onroerende zaken. Als gevolg van die schending van de inlichtingenverplichting heeft appellant ten onrechte een AIO-aanvulling gekregen. Het vermogen van R komt boven het voor appellant en R geldende vrij te laten vermogen uit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting is de omvang van het geschil beperkt tot de periode

1 februari 2009 tot 1 september 2012. Ter beantwoording ligt alleen de vraag voor of de Svb over deze periode tot intrekking van de AIO-aanvulling kon overgaan. Appellant voert aan dat dit niet het geval is, omdat R niet over de onroerende zaken kon beschikken.

4.2.

Niet in geschil is dat, zoals de attaché in zijn e-mailberichten schrijft, R met J getrouwd was ten tijde van zijn overlijden [in] 1992. Ook niet in geschil is dat de onroerende zaken in de nalatenschap van J vallen en dat R naar Surinaams erfrecht gerechtigd is op de helft plus een kindsdeel van die nalatenschap. De Svb is bij de bepaling van het vermogen van R uitgegaan van het aandeel van de onroerende zaken waarop zij recht heeft, namelijk de helft en 1/6 deel (kindsdeel van de andere onverdeelde helft). De nalatenschap was in de periode in geding niet verdeeld. Dat betekent echter niet dat R niet over haar aandeel van de nalatenschap kon beschikken. De omstandigheid dat R haar aandeel in de nalatenschap nooit heeft opgeëist, staat er immers niet aan in de weg dat zij dat wel had kunnen doen. Ter zitting is in dit verband weliswaar gesteld dat het naar Surinaams recht mogelijk zo zou kunnen zijn dat R geen aanspraak meer zou kunnen maken op haar aandeel, maar appellant heeft dat standpunt niet nader onderbouwd. Om die reden wordt aan die stelling voorbijgegaan.

4.3.

Appellant had bij de Svb melding moeten maken van de onroerende zaken. Hij heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te doen. Hij heeft als gevolg daarvan ten onrechte een AIO-uitkering ontvangen. Uit de in opdracht van de attaché opgestelde taxatie blijkt immers dat R in het periode in geding een vermogen had dat ver uitkwam boven het voor appellant en R geldende vrij te laten vermogen. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de Svb niet van die taxatie heeft kunnen uitgaan.

4.4.

Gelet op 4.2 en 4.3 slagen de in hoger beroep aangevoerde gronden niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L.V. van Donk

HD