Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
16/160 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor kosten van inrichting in de vorm van een lening. Schuld en zorg voor jong kind geen bijzondere omstandigheid om van gemeentelijke richtlijn af te wijken. Bij vaststellen hoogte aflossingscapaciteit terecht rekening gehouden met bijzondere bijstand voor levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 160 PW

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

22 december 2015, 15/2917 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.W.F.M. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Namens appellante is verschenen mr. Wohlgemuth Kitslaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Vlaanderen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 17 januari 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante ontving ten tijde in geding bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder van 19 jaar. Met ingang van 18 november 2014 ontving appellante bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud als aanvulling op de algemene bijstand.

1.2.

Op 6 november 2014 heeft appellante een aanvraag ingediend, voor zover hier van belang, voor de kosten van inrichting van een woning.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het college, voor zover hier van belang, aan appellante bijzondere bijstand verleend voor de kosten van inrichting van een woning. Deze bijstand is in de vorm van leenbijstand verleend tot een bedrag van maximaal € 5.566,-. Daarnaast is in het besluit een aflossingsverplichting voor de leenbijstand vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 21 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 16 december 2014 in zoverre herzien dat de aflossingsverplichting is vastgesteld op een lager bedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vorm van de verleende bijzondere bijstand

4.1.1.

Op grond van artikel 48, eerste lid, van de PW wordt de bijstand verleend om niet, tenzij in de wet anders is bepaald. In artikel 51, eerste lid, van de PW is bepaald dat bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

4.1.2.

Op grond van de Richtlijnen Bijzondere Bijstand van de gemeente Huizen (Richtlijnen) wordt bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, waaronder de kosten van woninginrichting, als leenbijstand verstrekt. Volgens de Richtlijnen kan het college van deze hoofdregel afwijken en de bijstand om niet verstrekken wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden.

4.1.3.

Niet in geschil is dat het hier gaat om de kosten van duurzame gebruiksgoederen. Appellante heeft in bezwaar aangegeven dat sprake is van bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding hadden moeten zijn af te wijken van de hoofdregel uit de Richtlijnen. Zij voert daartoe aan dat het gezien haar financiële omstandigheden niet mogelijk is om de leenbijstand terug te betalen. Appellante heeft de zorg voor een jong kind en daarnaast heeft zij schulden.

4.1.4.

Het college heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan alsnog bijzondere bijstand om niet wordt verleend. De Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit niet is benadeeld. De gemachtigde van het college heeft namelijk ter zitting van de Raad toegelicht dat van bijzondere omstandigheden sprake kan zijn wanneer de betrokkene in een schuldsaneringstraject zit en daarom geen nieuwe schulden aan mag gaan. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De kosten voor een jong kind zijn reeds opgenomen in de voor appellante van toepassing zijnde norm en is daarom geen bijzondere omstandigheid. Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte in verband met aanwezige schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen is evenmin aan te merken als een bijzondere omstandigheid. De gevolgen van het hebben van schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg van het hebben van schulden kunnen niet via een aanvraag voor bijzondere bijstand worden afgewenteld op de PW. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

Aflossingsverplichting

4.2.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het college bij de vaststelling van de hoogte van de aflossingsverplichting de bijzondere bijstand voor levensonderhoud niet mag meerekenen bij haar feitelijke middelen. De beslagvrije voet is volgens appellante hoger dan de voor haar geldende bijstandsnorm. De aflossingsverplichting had om die reden op nihil moeten worden vastgesteld.

4.2.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de vaststelling van het besteedbaar inkomen rekening mocht houden met de bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Het college heeft conform de Richtlijnen de aflossingsverplichting vastgesteld op 6% van de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm (uitgaande van de maand januari 2015: 6% van € 237,16 = € 14,-). Weliswaar is in het geval van appellante de beslagvrije voet (€ 386,86) hoger dan de voor haar geldende bijstandsnorm (€ 237,16), maar dat betekent niet dat er geen ruimte is voor aflossing. Bij het vaststellen van de aflossingsruimte is niet de bijstandsnorm alleen, maar het hele besteedbaar inkomen van appellante (bijstandsnorm € 237,16 + bijzondere bijstand levensonderhoud € 723,67 =

€ 960,83) van belang. De strekking van de beslagvrije voet is immers dat appellante blijft beschikken over een voldoende besteedbaar inkomen. De aflossingsverplichting, zoals door het college vastgesteld, is minder dan de beschikbare aflossingsruimte (uitgaande van de maand januari 2015: aflossingsverplichting is € 14,- per maand en de beschikbare aflossingsruimte is € 960,83 - € 386,86 = € 573,97) en daardoor blijft er voldoende besteedbaar inkomen over. Appellante stelt ten onrechte dat haar inkomen gelijk is aan wat zij ontvangt aan algemene bijstand. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd met verbetering van gronden, omdat de rechtbank geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L.V. van Donk

HD