Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
16/1931 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Voldoende feitelijke grondslag voor oordeel dat betrokkene niet woonachtig was op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1931 WWB

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 februari 2016, 14/7510 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C. Jansen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant stond van 14 januari 2009 tot 30 juli 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het [adres 1] te [woonplaats 2] (uitkeringsadres). Hij ontving van 17 januari 2012 tot en met 23 april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 8 mei 2013 heeft het college, na een eerdere opschorting, de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 24 april 2013. Dit besluit is door de uitspraak van de Raad van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:877, in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Appellant heeft zich op 13 mei 2013 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen en heeft op 22 mei 2013 de aanvraag ingediend. Op laatstgenoemde datum heeft een medewerker van de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Amstelveen (medewerker) een gesprek gevoerd met appellant. Appellant heeft toen onder andere verklaard dat zijn woning is leeggehaald door vrienden van zijn ex-vriendin, dat er nu een tuinbankje staat met enkele boekjes, een matras en een deken, dat hij overdag niet aanwezig is, dat hij er ’s nachts slaapt op een matras met deken, dat er geen administratie is in de woning, dat verzorgingsproducten aanwezig zijn, dat in de woning een koelkast, een gasfornuis en een keuken ontbreken, dat er geen borden en bestek zijn en dat hij alleen brood eet. Vervolgens hebben een fraudepreventiemedewerker en de medewerker op 24 mei 2013 een huisbezoek gebracht aan het uitkeringsadres. Geconstateerd is dat de woning van appellant niet is gestoffeerd, zeer spaarzaam is ingericht met onder meer een matras op de kale vloer, een tuinbankje en een tafeltje, en dat een keuken, koelkast, wasmachine en gasfornuis niet aanwezig zijn. Verder waren er nauwelijks etenswaren. Bij besluit van 6 juni 2013 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Op dezelfde grond heeft het college bij besluit van 15 augustus 2013 een nieuwe aanvraag om bijstand van appellant afgewezen. Beide besluiten zijn eveneens door de in 1.1 genoemde uitspraak van de Raad van 8 maart 2016 in rechte onaantastbaar geworden.

1.3.

Een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam heeft een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Daartoe heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, openbare registers geraadpleegd, de twee directe buren van het uitkeringsadres als getuigen gehoord en op

1 november 2013 een gesprek met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 november 2013.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

19 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2013 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 april 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.485,56 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag, zoals ter zitting nader toegelicht, dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres, dat hij, door daarvan geen melding te maken aan het college, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat hij vanaf 1 januari 2013 niet woonachtig was op het uitkeringsadres. In het bijzonder komt volgens appellant aan de verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres geen betekenis toe, omdat deze verklaringen subjectief en gekleurd zijn en bovendien niet zijn ondertekend. Appellant heeft er voorts op gewezen dat de zoon van de buurvrouw op [nummer] van het uitkeringsadres op 29 juli 2013 heeft verklaard dat hij de buurman (lees: appellant) had gezien en niet zeker wist of hij thuis was of niet. Volgens appellant blijkt hieruit dat hij woonachtig was op het uitkeringsadres. Daarnaast heeft appellant gesteld dat het goed verklaarbaar is dat de buren hem niet zagen op dat adres, aangezien hij zich stil hield als hij in de woning was, omdat hij bang is voor deurwaarders en de politie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangezien het college de bijstand van appellant al had ingetrokken met ingang van

24 april 2013, loopt in dit geval de te beoordelen periode van 1 januari 2013 tot en met

23 april 2013.

4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan op het college rust.

4.3.

Met de rechtbank en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat een toereikende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres. Hierbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen van de twee directe buren van het uitkeringsadres, woonachtig aan de [adres 2] en [adres 3] . Deze buren hebben op 31 mei 2013 onafhankelijk van elkaar verklaard dat de bewoner(s) van het uitkeringsadres rond oud en nieuw 2012/2013 zijn verhuisd en dat zij de bewoner(s) sindsdien niet meer hebben gezien. De buren herkenden appellant van de getoonde foto als (één van) de bewoner(s) van het uitkeringsadres. In zijn in 1.1 genoemde uitspraak van 8 maart 2016 heeft de Raad over deze verklaringen overwogen: “De verklaringen zijn consistent en concreet, en zijn gebaseerd op de eigen waarnemingen van deze buren. Dat sprake is van subjectieve en gekleurde verklaringen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Ten slotte is er geen aanleiding deze verklaringen buiten beschouwing te laten omdat deze niet zijn ondertekend. Het gaat om op ambtsbelofte opgemaakte stukken van een sociaal rechercheur omtrent de verklaringen die deze buren hebben afgelegd.” De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd - en wat in feite een herhaling is van wat hij over de verklaringen van zijn buren had aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 8 maart 2016 - geen aanleiding om met betrekking tot de - betekenis van de - verklaringen van de directe buren van het uitkeringsadres thans tot een ander oordeel te komen. Bovendien vinden de verklaringen van de directe buren van het uitkeringsadres bevestiging in de bevindingen van het op 22 mei 2013 afgelegde huisbezoek.

4.4.

De enkele stelling dat het goed verklaarbaar is dat de buren appellant niet zagen, omdat hij zich om de door hem genoemde redenen stil moest houden, leidt niet tot een ander oordeel. De - summiere - verklaring van de zoon van de buurvrouw van [adres 3] in juli 2013 weegt niet op tegen de uitvoerige, consistente en gedetailleerde verklaringen van de buren in mei 2013.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.A.E. Bon

HD