Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/3755 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet wonen in opgegeven woonplaats. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3755 WWB, 16/7452 WWB

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2015, 14/4208 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft voorts verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 29 juli 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Appellant stond met zijn twee minderjarige kinderen ingeschreven op het adres van zijn moeder, [adres] (uitkeringsadres). De moeder van de kinderen, [moeder] (R), heeft in Nederland geen verblijfsrecht.

1.3.

Naar aanleiding van een signaal van de casemanager van appellant dat appellant veel pint in België en in Rotterdam en dat zijn leerplichtige kinderen niet bekend zijn in Eindhoven, hebben een consulent buitendienst en een sociaal rechercheur van de gemeente Eindhoven een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de consulent buitendienst en de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie ingewonnen bij de leerplichtambtenaar in Eindhoven, waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres, appellant op 18 november 2013 gehoord en aansluitend een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Uit de informatie van de leerplichtambtenaar bleek dat de kinderen van appellant naar een basisschool te [gemeente 1] in België gaan en dat bij deze school bekend is dat het gezin woonachtig is op [vakantiepark] (vakantiepark) te [gemeente 1] , België. De consulent buitendienst en de sociaal rechercheur hebben vervolgens op 11 december 2013 het vakantiepark bezocht, de parkbeheerder [parkbeheerder] (B) gehoord, een huisbezoek aan de stacaravan van appellant afgelegd, de nachtregistratie behorende bij de [staanplaats] van appellant geraadpleegd en de in- en uitrijtijden in de periode van 31 mei 2013 tot en met 1 januari 2014 van het pasje van de campingslagboom behorende bij die staanplaats (pasje) geraadpleegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 januari 2014.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 10 januari 2014 de bijstand met ingang van 10 januari 2014 te beëindigen en om bij besluit van 3 maart 2014 de bijstand over de periode van 1 juli 2012 tot en met 9 januari 2014 in te trekken en de over de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 november 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.685,28 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant vanaf 1 juli 2012 niet meer in Eindhoven woont en als gevolg daarvan op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB geen recht op bijstand van het college had.

1.5.

Bij besluit op bezwaar van 21 oktober 2014 (bestreden besluit, zoals gewijzigd bij besluit van 5 december 2014) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2014 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard, dit besluit herroepen, de bijstand van appellant over de periode van 31 mei 2013 tot en met 9 januari 2014 ingetrokken en de over de periode van 31 mei 2013 tot en met 30 november 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Bij het besluit van 5 december 2014 heeft het college de terugvordering vastgesteld op een bedrag van

€ 7.433,49. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat appellant vanaf 31 mei 2013 op het vakantiepark in [gemeente 1] woonde en dus vanaf die datum geen woonplaats meer had in [gemeente 2] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt in dit geval van 31 mei 2013 tot en met 10 januari 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd bieden de onderzoeksbevindingen in onderlinge samenhang bezien een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonplaats niet in Eindhoven had. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.

4.4.1.

Vaststaat dat de kinderen van appellant in de te beoordelen periode naar een basisschool in [gemeente 1] , België, gingen. Appellant heeft op 18 november 2013 verklaard dat hij de kinderen dagelijks naar school brengt. Uit navraag bij de school is gebleken dat ook daar bekend is dat de kinderen dagelijks door de vader worden gebracht naar en gehaald van school. Bij school is verder bekend dat het gezin woonachtig is op het vakantiepark.

4.4.2.

Verder blijkt uit het onderzoek dat appellant sinds 1 juli 2012 eigenaar is van de caravan op het vakantiepark op [staanplaats] . Op het nachtregistratieformulier voor deze staanplaats staan appellant, R en hun kinderen geregistreerd. B heeft verklaard dat appellant doordeweeks veel op het vakantiepark is en dat appellant een pasje van de slagboom heeft. Uit het overzicht van de in- en uitrijtijden met het pasje blijkt dat tussen 31 mei 2013 en

1 januari 2014 te zien is dat op schooldagen ’s ochtends rond half negen met dit pasje het vakantiepark werd uitgereden, ongeveer twintig minuten daarna weer werd ingereden, tussen de middag weer werd uitgereden en om ongeveer 15.30 uur weer werd ingereden, en dat het pasje de laatste keer op de dag werd gebruikt om het vakantiepark in te rijden. Op

11 december 2013 hebben de consulent buitendienst en de sociaal rechercheur de auto van appellant ’s ochtends aangetroffen bij het vakantiepark met ijs op de ruiten, appellant met twee kinderen zien vertrekken en een kwartier later alleen zien terugkomen. Bij het huisbezoek in de caravan op diezelfde dag was appellant in de caravan aanwezig en zijn onder andere speelgoed, boeken van de kinderen en een kast vol kinderkleding aangetroffen. De in de caravan aangetroffen herenkleding bleek in de maat van appellant, maar appellant heeft verklaard dat deze, met uitzondering van een tweetal truien, een jas en twee paar sportschoenen, niet zijn eigendom zijn. Verder zijn er ook zijn medicijnen van appellant, diverse poststukken op naam van appellant, een gereedschapswagen en een boormachine van appellant aangetroffen.

4.4.3.

Voorts is de auto van appellant bij de veertien waarnemingen in de periode van

9 oktober 2013 tot en met 10 december 2013 slechts driemaal aangetroffen bij het uitkeringsadres, waarvan maar één keer op een doordeweekse dag. Uit de rapportage van

13 januari 2014 van het huisbezoek aan het uitkeringsadres op 18 november 2013 blijkt dat appellant is gevraagd datgene in de woning te tonen wat zijn eigendom is en de kamer waarvan hij aangeeft dat deze door hem in gebruik is. Appellant heeft daarop verklaard dat hij een tweetal brieven heeft getoond en dat hij verder geen post op het uitkeringsadres heeft liggen. Hij heeft verder verklaard zijn slaapkamer te hebben getoond en dat alles op zijn slaapkamer van zijn moeder is, en dat de kleding in de kast ook van zijn moeder is, behalve twee paar sokken van appellant.

4.5.

Appellant heeft ter verklaring van de onderzoeksbevindingen aangevoerd dat hij de auto bij het uitkeringsadres vaak in een autobox had staan, dat hij en zijn kinderen vaak met een vriend meereden van [gemeente 2] naar [gemeente 1] , dat R ook met zijn auto reed en dat het pasje ook met een andere auto kan zijn gebruikt. Dit leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu appellant deze stellingen niet heeft onderbouwd. Met wat appellant heeft aangevoerd, is bovendien niet verklaard waarom de in- en uitrijtijden met het pasje op schooldagen aansloten op de schooltijden terwijl appellant zelf de kinderen naar school bracht. De stelling van appellant dat R met haar broer in de caravan woonde, met haar in het tweepersoonsbed sliep en dat de herenkleding in de caravan van de broer van R was, is, nog daargelaten dat deze stelling evenmin is onderbouwd, ongeloofwaardig, nu de broer van R - anders dan appellant en R zelf - niet op het nachtregistratieformulier staat vermeld en appellant op 18 november 2013 heeft verklaard dat de broer van R in een appartement in [gemeente 1] woonde. De omstandigheid dat appellant veel in [gemeente 3] en [gemeente 2] pinde kan, gelet op de in 4.4 weergegeven bevindingen en het gegeven dat hij ook pinbetalingen in [gemeente 1] heeft verricht, anders dan appellant betoogt, evenmin tot een ander oordeel leiden.

4.6.

Uit 4.4 tot en met 4.5 volgt dat er voldoende grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode op de grond dat appellant niet zijn woonplaats had in [gemeente 2] .

4.7.

Nu appellant geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd tegen de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, behoeft deze geen verdere bespreking.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.9.

Gelet op 4.8 bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) S.A. de Graaff

HD