Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:68

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
15/1134 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om uitkering inzake de overname van betalingsverplichtingen omdat de BV zijn loon deels onbetaald had gelaten, terecht afgewezen. Appellant heeft niet binnen 26 weken na het moment van intreden van betalingsonmacht de aanvraag voor een faillissementsuitkering ingediend. Geen bijzonder geval. Niet valt in te zien waarom appellant niet binnen 26 weken nadat de deurwaarder hem had meegedeeld dat het beslag niks opleverde een aanvraag had kunnen indienen bij het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0024
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1134 WW

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2014, 14/1479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Vrolijk hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vrolijk. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1 oktober 2008 tot en met 28 februari 2009 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest als editor in dienst van [BV] te Amsterdam. De arbeidsovereenkomst is per 1 maart 2009 van rechtswege geëindigd.

1.2.

Op 19 maart 2013 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag om uitkering inzake de overname van betalingsverplichtingen van [BV] op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) ingediend omdat [BV] zijn loon deels onbetaald had gelaten. Bij besluit van 23 september 2013 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen onder meer omdat deze is ingediend meer dan 26 weken nadat [BV] in een toestand van blijvende betalingsonmacht is komen te verkeren.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 september 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat op grond van de gegevens die zich in het dossier bevinden niet is vast te stellen of, en zo ja wanneer, betalingsonmacht van [BV] is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan nader onderzoek hiernaar niet leiden tot een aanspraak op overname van de loonbetalingsverplichting. Indien zou worden uitgegaan van het ontstaan van betalingsonmacht in februari 2010, toen appellant na een vonnis van de kantonrechter beslag had laten leggen, leidt toepassing van het derde lid van artikel 62 van de WW ertoe dat geen recht op uitkering bestaat, omdat de aanvraag meer dan 26 weken nadat de betalingsonmacht is ingetreden, is ingediend. Voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het Uwv aan de late indiening voorbij had moeten gaan, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien. Indien zou worden uitgegaan van het ontstaan van betalingsonmacht op het moment van ontbinding van [BV] door de Kamer van Koophandel (KvK) in juni 2013, is de aanvraag van appellant vóór deze datum gelegen en dus prematuur. Daarnaast ontbreekt volgens de rechtbank de vereiste nauwe band tussen het ontstaan van de betalingsonmacht en het niet geldend kunnen maken van het recht op loonbetaling, als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de WW. In beide situaties moet worden geconcludeerd dat appellant geen aanspraak kan maken op overname van de loonbetalingsverplichting.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in haar beoordeling ten onrechte is uitgegaan van het moment van beslaglegging in februari 2010 als mogelijk moment van betalingsonmacht. Het had op de weg van de rechtbank gelegen om bij haar beoordeling mede te betrekken de periode van 16 februari 2010 (beslaglegging) tot en met
12 mei 2012 (laatste sommatiebrief). Bovendien heeft de rechtbank niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom geen sprake is van een bijzondere omstandigheid om af te wijken van de regel dat geen recht op uitkering bestaat indien de aanvraag is ingediend nadat 26 weken zijn verstreken na de dag waarop de werkgever is komen te verkeren in een toestand van betalingsonmacht. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank bij haar beoordeling ook ten onrechte uitgaat van het moment van ontbinding van [BV] door de KvK in juni 2013 als mogelijk moment van betalingsonmacht. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat aan de ontbinding van de vennootschap een traject voorafgaat dat onder meer bestaat uit een kennisgeving van een voorgenomen ontbinding. Volgens appellant is op dat moment al sprake geweest van betalingsonmacht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 61 van de WW heeft een werknemer recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.

4.2.

Op grond van artikel 62, derde lid, van de WW, zoals dit artikel gold ten tijde hier in geding, heeft de werknemer geen recht op uitkering indien de aanvraag is ingediend nadat
26 weken zijn verstreken na de dag waarop de werkgever is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.

4.3.

Vaststaat dat [BV] niet in staat van faillissement is verklaard of aan haar surséance van betaling is verleend. Evenmin is in geschil dat [BV] op enig moment in een blijvende toestand van betalingsonmacht is komen te verkeren. Voor de bepaling van de aanspraken van appellant zal eerst beoordeeld worden vanaf welke datum sprake is geweest van betalingsonmacht. Daarbij geldt dat, nu er geen sprake is van faillissement of surséance van betaling, het moment van betalingsonmacht moet worden vastgesteld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

4.4.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant [BV] in 2009 diverse malen per e-mail gemaand tot betaling van het achterstallige salaris over de maanden januari en februari 2009, de vakantietoeslag en de vergoeding van vakantie-uren en van reiskosten. Uiteindelijk heeft de bestuurder van [BV] appellant bij e-mail van 18 november 2009 onomwonden meegedeeld dat geen betaling zal plaatsvinden omdat het bedrijf daartoe niet in staat is. Appellant heeft vervolgens met hulp van een advocaat [BV] gedagvaard. Deze dagvaarding heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2010, waarbij [BV] is veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag vermeerderd met een wettelijke verhoging van 25%. Dit vonnis is op 29 januari 2010 betekend aan [BV] met bevel tot betaling binnen twee dagen. Omdat betaling uitbleef is op 16 februari 2010 namens appellant beslag gelegd op de bankrekeningen van [BV] bij de Rabobank. In maart 2010 heeft de deurwaarder appellant meegedeeld dat het beslag niets heeft opgeleverd door het ontbreken van saldo op de betreffende bankrekeningen. Van andere vermogensbestanddelen is de deurwaarder niet gebleken. Appellant heeft vervolgens afgezien van het aanvragen van het faillissement van [BV] omdat hem de financiële middelen daarvoor ontbraken, een faillissementsverzoek zeer waarschijnlijk weinig tot niets zou opleveren en omdat hij niet bekend was met een voor een faillissementsverzoek noodzakelijke derde met eveneens een vordering op [BV] . De KvK heeft op 24 september 2010 de inschrijving van [BV] wegens opheffing van de vestiging ambtshalve doorgehaald. Bij brief van 14 mei 2012 heeft appellant [BV] nog een keer gesommeerd om gehoor te geven aan het vonnis van de kantonrechter. Uiteindelijk is [BV] op 24 juni 2013 door de KvK ontbonden en uitgeschreven uit het handelsregister.

4.5.

Op grond van de in 4.4 vermelde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, wordt geoordeeld dat het appellant in maart 2010, toen de deurwaarder hem meedeelde dat het beslag niets had opgeleverd, kenbaar moest zijn dat [BV] verkeerde in een blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn opvatting dat het moment van betalingsonmacht pas is ingetreden op het moment van kennisgeving van de voorgenomen ontbinding van [BV] .

4.6.

Appellant heeft niet binnen 26 weken na het moment van intreden van betalingsonmacht de aanvraag voor een faillissementsuitkering ingediend. Zelfs indien appellant zou worden gevolgd in zijn stelling ter zitting dat hij al eerder, op 11 augustus 2012, het Uwv heeft verzocht om overname van de loonbetalingsverplichting van [BV] , is deze aanvraag niet tijdig ingediend. Dit betekent dat het Uwv op grond van artikel 62, derde lid, van de WW niet bevoegd was om appellant een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW toe te kennen. Dit is slechts anders indien wordt geoordeeld dat er in het geval van appellant sprake is van een bijzonder geval, zoals genoemd in de tweede volzin van artikel 62, derde lid, van de WW.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van
22 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3161) moet het begrip ‘bijzonder geval’ restrictief worden uitgelegd. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een bijzonder geval kunnen als regel slechts die feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die ertoe hebben geleid dat de aanvraag niet binnen de gestelde termijn is ingediend.

4.8.

Appellant heeft gesteld dat sprake is van een bijzonder geval omdat het Uwv hem telefonisch heeft meegedeeld dat hij pas na het faillissement van [BV] bij het Uwv een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kon indienen. In de gedingstukken zijn voor die stelling geen aanknopingspunten te vinden. Niet valt in te zien waarom appellant niet binnen 26 weken nadat de deurwaarder hem had meegedeeld dat het beslag niks opleverde een aanvraag had kunnen indienen bij het Uwv. Wat appellant overigens heeft aangevoerd geeft evenmin aanleiding tot het aannemen van een bijzonder geval.

4.9.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en
G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

SS