Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
14/6347 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8198, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6347 WSF

Datum uitspraak: 15 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2014, 14/1284 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kafa. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante is studiefinanciering op de grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

1.2.

De minister heeft bij besluit van 17 augustus 2013 de aan appellante toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellante per 1 mei 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende.

1.3.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de minister

niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 6 januari 2014 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover nu nog van belang, geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de herziening terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij zich er niet van bewust is geweest dat zij door het registreren van haar e-mailadres bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ook heeft ingestemd met het digitaal ontvangen van post. Bovendien heeft appellante te kennen gegeven dat zij zelden controleerde of zij e-mailberichten had ontvangen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

De met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ingebrachte hogerberoepsgronden zijn een herhaling van wat appellante bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden om anders over deze gronden te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich in grote lijnen aan bij de overwegingen van de rechtbank.

4.1.2.

Appellante heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat zij haar e-mailadres heeft doorgegeven aan DUO. Uit de door DUO in het geding gebrachte stukken blijkt dat appellante op 8 juli 2013 akkoord is gegaan met de algemene voorwaarden voor het digitaal ontvangen van post van DUO, waarmee zij heeft ingestemd met ontvangst van besluiten op Mijn DUO. Dat appellante zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat post van DUO vanaf die datum ook (deels) digitaal zou worden verzonden en dat zij Mijn DUO daarom regelmatig zou moeten raadplegen, dient voor haar rekening en risico te komen. Daar komt nog bij dat appellante naar eigen zeggen zelden haar ontvangen e-mailberichten bekeek en daardoor hoogstwaarschijnlijk geen kennis heeft genomen van het notificatiebericht van DUO dat er een bericht voor haar klaarstond op Mijn DUO. Dit komt eveneens voor haar rekening en risico.

4.2.

De stelling van appellante dat het bericht studiefinanciering geen besluit is, wordt niet gevolgd. Het bericht studiefinanciering is onmiskenbaar gericht op rechtsgevolg. Het had appellante duidelijk kunnen en moeten zijn dat zij (tijdig) actie had moeten ondernemen om dat rechtsgevolg ongedaan te (kunnen) maken. De voorlichting die van de zijde van de minister is verstrekt, laat daarover ook geen misverstand bestaan.

4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM