Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
15/6929 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatie voor Persoonlijke verzorging, klasse 3, met een geldingsduur van 22 augustus 2014 tot 22 november 2014. Juiste medische adviezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6929 AWBZ

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 september 2015, 15/2315 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 januari 2017. Partijen zijn, van wie appellante met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is sinds haar geboorte in 1993 bekend met een parese aan de rechterarm. De rechterarm en -hand zijn nu volledig verlamd. Door verschil in links en rechts is scheefstand van de rug ontstaan en overbelasting van de linkerarm. Daarnaast is sprake van huidallergie, ondergewicht en psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 2 september 2013 heeft CIZ appellante op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie verleend voor de zorgfunctie Persoonlijke verzorging, klasse 3, geldend van 2 september 2013 tot 1 september 2028, in de vorm van een persoonsgebondenbudget (pgb).

1.3.

Op 28 juli 2014 heeft appellante CIZ verzocht om de indicatie uit te breiden en haar ook te indiceren voor de zorgfuncties Begeleiding en Verpleging.

1.4.

Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft CIZ dit verzoek afgewezen, waarbij ook de eerder verleende indicatie is vervallen. Appellante komt niet in aanmerking voor AWBZ-zorg. In gevallen waarbij vermindering of stopzetting van zorg aan de orde is, is een gewenningsperiode mogelijk. Om die reden heeft CIZ appellante een indicatie verleend voor de zorgfunctie Persoonlijke verzorging, klasse 3, geldend van 22 augustus 2014 tot 2 oktober 2014.

1.5.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 22 augustus 2014 gemaakte bezwaar heeft medisch adviseur J. van der Sluis op 10 december 2014 een medisch advies uitgebracht, aangevuld met een advies gedateerd 19 januari 2014 (lees: 2015). Volgens Van der Sluis is sprake van een dominante grondslag lichamelijke handicap met als nevengrondslag somatiek. Hij concludeert dat appellante lichte beperkingen heeft op het gebied van persoonlijke verzorging naast beperkingen op het gebied van bewegen en verplaatsen. Volgens Van der Sluis is behandeling door een fysiotherapeut voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg en is appellante na die behandeling in staat in rustig tempo met links haar zelfzorg te verrichten. Voor het zalven van de huid kan een dermatologie verpleegkundige appellante instructie geven en kan appellante een smeerhulpmiddel (leren) gebruiken met behulp van een ergotherapeut. Wat betreft de recent gediagnosticeerde psychiatrische problematiek is behandeling binnen de GGZ voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg. Voor de overbelasting van de linkerarm is behandeling door een revalidatiearts voorliggend.

1.6.

Bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar onder verwijzing naar de medische adviezen van Van der Sluis deels gegrond verklaard. Hieraan heeft CIZ ten grondslag gelegd dat appellante geen toegang heeft tot de functies Persoonlijke verzorging en Begeleiding omdat zij gebruik kan maken van wettelijk voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen. De gewenningsperiode bij stopzetting van de zorg bedraagt, bij een indicatie van klasse 3 of meer, drie maanden. Gelet op de aan appellante bij besluit van 2 september 2013 verleende indicatie voor Persoonlijke verzorging, klasse 3, is bij besluit van 22 augustus 2014 ten onrechte slechts een gewenningsperiode van zes weken gehanteerd. Om die reden heeft CIZ alsnog een indicatie verleend voor Persoonlijke verzorging, klasse 3, met een geldingsduur van 22 augustus 2014 tot 22 november 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de medische adviezen van

10 december 2014 en 19 januari 2015 voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Uit de adviezen is kenbaar welk onderzoek heeft plaatsgevonden en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. De medisch adviseur heeft de informatie van de psychiater van appellante van 6 november 2014 in het aanvullend medisch advies van 19 januari 2015 betrokken en dit heeft niet geleid tot de conclusie dat appellante is aangewezen op

AWBZ-zorg. Appellante heeft geen gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de medische adviezen. CIZ heeft die medische adviezen dan ook aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen en op basis daarvan kunnen concluderen dat appellante niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de AWBZ. Verder achtte de rechtbank de door CIZ gehanteerde gewenningsperiode van drie maanden redelijk. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5018, heeft de rechtbank overwogen dat in dit geval geen sprake is van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat CIZ de indicatie voor de zorgfunctie Persoonlijke verzorging niet met terugwerkende kracht heeft beëindigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de fysieke en psychische klachten verhinderen dat zij zich volledig zelf kan verzorgen. Gelet op het feit dat haar psychische klachten mede in verband staan met het feit dat zij slachtoffer is geweest van ongewenste intimiteiten op jeugdige leeftijd is het voor appellante bezwaarlijk dat zij wordt ondersteund in haar persoonlijke verzorging door andere hulpverleners dan haar moeder en zus. De aangevallen uitspraak is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid tot stand gekomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verwijst daarnaar. De Raad maakt het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daar het volgende aan toe.

4.2.

De hoger beroepsgrond van appellante dat haar fysieke en psychische klachten verhinderen dat zij zich volledig zelf kan verzorgen, slaagt niet. Uit de adviezen van de medisch adviseur van CIZ blijkt immers dat deze onderkent dat appellante ten gevolge van haar fysieke klachten lichte beperkingen heeft op het gebied van persoonlijke verzorging, naast beperkingen op het gebied van bewegen en verplaatsen. Zoals de rechtbank heeft overwogen is de medisch adviseur van oordeel dat de beperkingen van appellante opgelost kunnen worden met wettelijk voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals fysiotherapie, ergotherapie en eventueel met hulp van een dermatologie verpleegkundige. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat – voor de door de medisch adviseur

erkende – psychische klachten van appellante behandeling binnen de GGZ voorliggend is op de inzet van AWBZ-zorg. Appellante heeft ook in hoger beroep geen gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de medische adviezen.

4.3.

Naar aanleiding van de hoger beroepsgrond dat het voor appellante bezwaarlijk is dat zij wordt ondersteund in haar persoonlijke verzorging door andere hulpverleners dan haar moeder en zus, heeft CIZ in het verweerschrift in hoger beroep terecht opgemerkt dat deze beroepsgrond niet ziet op de thans aan de orde zijnde zorgindicatie.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

IJ