Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
14/7076 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is, met de minister en de rechtbank, van oordeel dat appellant door de mondelinge mededeling van 25 november 2014 niet rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen. De mededeling moet daarom niet worden gelijkgesteld met een besluit. De minister heeft het bezwaar van appellant tegen deze mededeling terecht niet-ontvankelijk verklaard. Afwijzing voor de geambieerde functie omdat appellant niet de juiste ervaring heeft voor de betreffende functie. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/89
TAR 2017/74
NJB 2017/638
ABkort 2017/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7076 MAW, 16/5303 MAW

Datum uitspraak: 23 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 december 2014, 14/11203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. ten Seldam hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Seldam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.J.M.R. van den Ende, R. Kibiroglu en R.J. Reeb.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam in de functie van medewerker voorlichtingsmateriaal I-net bij het DienstenCentrum Internationale Ondersteuning Defensie (DCIOD) van de Koninklijke Landmacht. Hij heeft op 29 oktober 2014 geopteerd voor de functie van locatiemanager NSE te Münster (Duitsland) met vacaturenummer [nummer] , die per 1 mei 2015 zou vrijvallen (geambieerde functie).

1.2.

Op 25 november 2014 is aan appellant mondeling meegedeeld dat hij vooralsnog niet wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, omdat hij bij aanvang van de geambieerde functie op 1 mei 2015 niet minder dan drie maanden van de Datum Einde Functie (DEF) af zit.

1.3.

Bij besluit van 9 december 2014 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar tegen de mededeling van 25 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat deze mededeling geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een besluit gelijk te stellen handeling op grond van artikel 8:2 van de Awb. De mondelinge mededeling heeft volgens de minister geen rechtsgevolgen, omdat appellant niet is uitgesloten van de sollicitatieprocedure, niet is afgewezen voor de geambieerde functie en de functie nog niet aan iemand is toegewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de mondelinge mededeling van 25 november 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu die mededeling geen besluit of een daarmee gelijk te stellen handeling is. Daartoe is voor de rechtbank redengevend dat appellant door de mededeling niet rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen. Genoemde mededeling is slechts van informatieve aard en brengt op zich geen wijziging in de rechtspositie van appellant teweeg. Hij is bodemgeschikt geacht en niet uitgesloten van de sollicitatieprocedure. Zijn sollicitatie is aangehouden in afwachting van de uitkomst van de met andere kandidaten gevoerde gesprekken, de sollicitatieprocedure is nog gaande en hij is niet afgewezen voor de geambieerde functie. Dat de kansen van appellant door de aanhouding van zijn sollicitatie zijn verkleind, maakt dit niet anders.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de in 1.2 vermelde mededeling op grond van artikel 8:2, eerste lid, van de Awb wel met een besluit moet worden gelijkgesteld en dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens appellant is hij wel in zijn rechtspositioneel belang getroffen, nu de uitsluiting van de eerste gespreksronde zijn kansen aanzienlijk heeft verkleind, er in de eerste gespreksronde een geschikte kandidaat is gevonden en de minister voornemens is om die kandidaat op de door appellant geambieerde functie te plaatsen. Verder heeft appellant gesteld dat de weigering om hem uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek vanwege de gestelde voorwaarden ten aanzien van de DEF strijdig is met het beginsel van fair play, het zorgvuldigheids-, het motiverings-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft hij betoogd dat artikel 20, eerste lid, onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) het gemaakte onderscheid niet rechtvaardigt, dat er ter zake geen op schrift gesteld en bekend gemaakt beleid is dat is afgestemd met de ondernemingsraad en/of vakbonden en dat bij andere onderdelen van het ministerie van Defensie, zoals de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marechaussee, van een dergelijk beleid geen sprake is. Ten slotte heeft appellant er op gewezen dat van het beleid afgeweken had kunnen worden.

4.1.

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de minister afwijzend beslist op de sollicitatie van appellant naar de geambieerde functie. De reden voor de afwijzing is gelegen in het organisatiebelang voor een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van het totale functiebestand. De in eerste instantie gevoerde gesprekken hebben een geschikte kandidaat opgeleverd.

4.2.

Bij brief van 7 september 2015 heeft de minister appellant meegedeeld dat met de keuze om eerst de kandidaten aan te bieden die op de gewenste begindatum van de functie minder dan drie maanden van hun DEF af zitten, onvoldoende invulling is gegeven aan hetgeen beoogd is met artikel 17, vierde lid, van het AMAR. Appellant is vervolgens alsnog uitgenodigd voor een selectiegesprek om te bezien of hij in aanmerking kwam voor de door hem geambieerde functie in het geval hij wel was meegenomen in de eerste selectieronde. Dit selectiegesprek heeft op 27 september 2015 plaatsgevonden.

4.3.

Bij besluit van 4 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft de minister het tegen het besluit van 6 januari 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft daarbij onder verwijzing naar artikel 20, eerste lid, onder e, van het AMAR geconcludeerd dat appellant in onvoldoende mate voldoet aan de eisen voor de geambieerde functie. Zijn kennis en ervaring sluiten onvoldoende aan bij het gewenste profiel. Appellant heeft geen aantoonbare leidinggevende ervaring op officiersniveau en hem ontbreekt de ervaring met bedrijfskundige processen. Verder heeft de minister bij het bestreden besluit het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4.4.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedure waarbij alsnog een selectiegesprek met hem is gevoerd niet zorgvuldig is verlopen. Hij heeft verder betwist dat hij niet voldoet aan de functie-eisen en dat hij de vereiste (leidinggevende) ervaring mist. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte heeft geweigerd een schadevergoeding toe te kennen.

4.5.

De Raad zal het bestreden besluit 2 met instemming van partijen in de beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Mondelinge mededeling van 25 november 2014

5.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2673) wordt een handeling van een bestuursorgaan alleen dan met toepassing van artikel 8:2, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld met een besluit en is het alleen dan mogelijk om tegen die handeling een rechtsmiddel aan te wenden als de ambtenaar door die handeling rechtstreeks in een rechtspositioneel belang wordt getroffen. Hiervan is slechts sprake als die handeling een wijziging teweegbrengt in de rechten en plichten die de betrokkene als ambtenaar heeft.

5.2.

De mondelinge mededeling van 25 november 2014 hield in dat appellant in eerste instantie niet zou worden uitgenodigd voor een selectiegesprek naar aanleiding van zijn sollicitatie naar de functie van locatiemanager NSE te Münster. Pas als de eerste ronde van de selectiegesprekken geen geschikte kandidaat zou opleveren, zou appellant worden uitgenodigd voor een selectiegesprek. De mondelinge mededeling strekte niet tot uitsluiting van appellant van de sollicitatieprocedure of tot afwijzing van appellant en heeft daarom geen wijziging gebracht in de rechten en plichten van appellant als ambtenaar. Van zo’n wijziging was pas sprake op 6 januari 2015 toen de minister het besluit tot afwijzing van de sollicitatie van appellant heeft genomen. Dat, zoals de minister ter zitting van de Raad heeft erkend, de kansen van appellant op een succesvolle sollicitatie door de aanhouding werden gereduceerd, maakt dit niet anders. Een gereduceerde kans brengt nog geen verandering in de rechten en plichten van de betrokkene als ambtenaar teweeg.

5.3.

Gelet op het vorenstaande is de Raad, met de minister en de rechtbank, van oordeel dat appellant door de mondelinge mededeling van 25 november 2014 niet rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen, dat deze mededeling daarom niet moet worden gelijkgesteld met een besluit en dat de minister het bezwaar van appellant tegen deze mededeling terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Afwijzing voor de geambieerde functie

6.1.

De beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure zoals hier aan de orde is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 7 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1576).

6.2.

Appellant heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de procedure waarbij alsnog een selectiegesprek met hem is gevoerd niet zorgvuldig is verlopen. Daartoe heeft hij betoogd dat de selectiecommissie in zijn geval anders was samengesteld dan het geval was bij het selectiegesprek van degene die op de betreffende functie is benoemd, waardoor geen objectieve beoordeling heeft plaatsgevonden. Verder heeft hij betoogd dat de wijze van vraagstelling niet integer was en het gesprek een lege huls was. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de sollicitatieprocedure waarbij met appellant alsnog een selectiegesprek is gevoerd, onzorgvuldig was. Dat de selectiecommissie anders was samengesteld dan het geval was bij de op de betreffende functie geplaatste kandidaat, betekent niet dat deze commissie de geschiktheid van appellant voor de betreffende functie niet heeft kunnen beoordelen. Voor het oordeel dat het gesprek een lege huls was en de selectieprocedure enkel uit administratief oogpunt alsnog werd gevoerd, is geen aanleiding. Uit de in het beroepschrift genoemde voorbeelden volgt niet dat de (wijze van) vraagstelling niet integer was. En hoewel er ten tijde van het selectiegesprek met appellant al iemand op de betreffende functie was benoemd, betekent dat niet dat de geschiktheid van appellant daarom niet zorgvuldig is beoordeeld.

6.3.

Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte is afgewezen voor de geambieerde functie. Daartoe heeft hij met name gewezen op zijn ervaring. Ook dit betoog slaagt niet. Uit het functieprofiel van de betreffende functie blijkt dat voor deze functie zowel leidinggevende ervaring op officiersniveau als ervaring met bedrijfskundige processen nodig is. Zoals de minister in bestreden besluit 2 uitvoerig heeft gemotiveerd, heeft appellant die ervaring niet dan wel in te geringe mate. De ervaring waarop appellant heeft gewezen is ofwel niet de juiste ervaring voor de betreffende functie ofwel onvoldoende in aard en omvang. Zo heeft appellant volgens de minister onvoldoende leidinggevende ervaring op officiersniveau. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als eerste luitenant, die ervaring wel heeft. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij de voor de betreffende functie vereiste ervaring met bedrijfskundige processen heeft. De verwijzing van appellant naar zijn opleidingen, de daarin gevolgde vakken op het gebied van bedrijfskunde en bedrijfskundige vraagstukken en zijn werkzaamheden binnen de afdeling Bedrijfsvoering van het DCIOD is daartoe onvoldoende. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot de afwijzing van appellant heeft kunnen komen. Dit maakt verder dat de minister het verzoek om schadevergoeding van appellant heeft kunnen afwijzen.

6.4.

Uit 6.2 en 6.3 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

Proceskosten

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 november 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

S.C. Stuldreher als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2017.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD