Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
15/7895 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep heeft appellante niet aannemelijk gemaakt, in tegenstelling tot wat aan de medisch adviseur is verteld, dat zij op medische gronden is aangewezen op begeleiding door twee personen tijdens transfers. Geen onderbouwing met medische informatie. Geen steun in medische stukkende in dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7895 WMO

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 oktober 2015, 15/2224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ö. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Namens appellante is verschenen haar zoon [X.] en haar kleindochter [Y.], bijgestaan door

mr. Arslan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante lijdt aan een chronische hart- en vaatziekte met neurologische complicatie, waardoor zij motorisch en energetisch beperkt is. Appellante is tweeledig incontinent. Appellante woont bij haar zoon en zijn echtgenote en hun gezin met zeven kinderen. In verband met haar beperkingen beschikte appellante sinds 2000 over een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto en een vergoeding van de gebruikskosten van de bruikleenauto, welke voorziening is voortgezet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning.

1.2.

Op 13 juni 2014 heeft Welzorg Autolease B.V. het college bericht dat de technische en economische gebruiksduur van de bruikleenauto van appellante is verstreken. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek gestart naar de vervoersbehoeften en vervoersproblemen van appellante. Bij twee afzonderlijke besluiten van 24 september 2014 heeft het college onder verwijzing naar dit onderzoek de aan appellante toegekende vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto en vergoeding van de gebruikskosten van de bruikleenauto per 1 januari 2015 beëindigd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

1.3.

In bezwaar heeft adviserend geneeskundige A. Lustig van GGD Haaglanden op

29 januari 2015 een medisch advies uitgebracht. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat appellante rolstoelgebonden is en dat zij afhankelijk is van zorg en begeleiding van anderen voor transfers, staan, de persoonlijke verzorging en de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Transfers zijn belastend voor haar en worden zoveel mogelijk beperkt. Het gebruik van incontinentiemateriaal is continu noodzakelijk. De zoon en schoondochter van appellante hebben verklaard dat begeleiding van appellante bij transfers goed is te doen door één begeleider. Volgens de medisch adviseur kan appellante vanuit medisch perspectief geen gebruik kan maken van het collectief aanvullend vervoer. Zij is aangewezen op individueel rolstoelvervoer.

1.4.

Bij besluit van 13 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het medisch advies van 29 januari 2015 blijkt dat er geen medische noodzaak is voor het gebruik van een bruikleenauto door appellante. Het college heeft met ingang van 1 januari 2015 een vervoersvoorziening aan appellante toegekend in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoel-ligtaxi. Appellante wordt met deze voorziening volledig gecompenseerd in de beperkingen die zij ondervindt bij het zich verplaatsen buitenshuis. Dat het reizen met het individueel taxivervoer omslachtig en lastig is in verband met de gezinssamenstelling en dat het gezin dan niet samen kan reizen, leidt niet tot de conclusie dat het individueel taxivervoer niet adequaat is te achten voor appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch advies van 29 januari 2015 zorgvuldig tot stand is gekomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij moet worden begeleid door twee begeleiders tijdens het vervoer en dat een individuele

rolstoel-ligtaxi daarom niet geschikt is voor haar. Appellante kan weliswaar niet met alle (klein)kinderen samen reizen in de rolstoel-ligtaxi, maar dat betekent niet dat het niet mogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat met de toegekende financiële tegemoetkoming voor de kosten van het gebruik van de rolstoel-ligtaxi op adequate wijze wordt voorzien in de vervoersbehoefte van appellante en dat er geen noodzaak is voor toekenning van een bruikleenauto.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen gebruik kan maken van de rolstoel-ligtaxi, omdat zij tijdens het vervoer moet worden begeleid door twee begeleiders. Ook kan zij door haar incontinentie geen gebruik maken van de rolstoel-ligtaxi. Tot slot is het individueel rolstoel-ligtaxivervoer niet voldoende flexibel voor appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betoog van appellante in hoger beroep dat zij geen gebruik kan maken van de rolstoel-ligtaxi, slaagt niet. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij, in tegenstelling tot hetgeen haar zoon en schoondochter aan de medisch adviseur hebben verteld, op medische gronden is aangewezen op begeleiding door twee personen tijdens transfers. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat haar incontinentie in combinatie met een huidaandoening in de weg staat aan het gebruik van het individueel rolstoel-ligtaxivervoer, heeft appellante ook dit standpunt niet onderbouwd met medische informatie. Voor dit standpunt kan ook geen steun worden gevonden in de in het dossier aanwezige medische stukken. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het medisch advies van 29 januari 2015 zorgvuldig is te achten en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de medisch adviseur.

4.2.

Ten slotte is niet gebleken dat het individueel rolstoel-ligtaxivervoer zodanig gebrekkig functioneert dat dit niet als een voor appellante adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

IJ