Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
15/515 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Appellant kan lichte huishoudelijke taken verrichten. De psychische klachten leiden niet tot zelfverwaarlozing of chaotisch gedrag. Daarmee is in dit geval niet voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een tweede dagdeel huishoudelijke hulp. Die toekenning is dus niet ten onrechte geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/515 WUBO

Datum uitspraak: 23 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 januari 2015, kenmerk BZ01790115 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Zijn psychische klachten zijn in causaal verband aanvaard. Zijn lichamelijke klachten zijn volgens verweerder ontstaan door andere oorzaken dan het oorlogsgeweld. In juni 2014 heeft appellant verzocht om vergoedingen voor acht uur huishoudelijke hulp, alsmede voor sociaal vervoer. Appellant is naar aanleiding van de aanvraag onderzocht door geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager, arts. Bij besluit van 9 september 2014 zijn hem, met ingang van 1 juni 2014, een vergoeding voor één dagdeel huishoudelijke hulp en een vergoeding voor sociaal vervoer toegekend. Voor zover het verzoek een tweede dagdeel huishoudelijke hulp betrof, is het afgewezen.

1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 9 september 2014 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor twee dagdelen, dat wil zeggen acht uur, huishoudelijke hulp. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een medische onderzoeksrapportage van G.J. Laatsch, arts, overgelegd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant was ten tijde van de aanvraag ouder dan 70 jaar, zodat op grond van het door verweerder in het kader van artikel 33a van de Wubo gehanteerde beleid bij de beoordeling van de aanvraag om uitbreiding van de huishoudelijke hulp zowel de oorlogsgerelateerde psychische klachten als de beperkingen door zijn overige klachten in aanmerking worden genomen.

3.2.

Bij het toekennen van huishoudelijke hulp hanteert verweerder het beleid, voor zover hier van belang, dat in beginsel één dagdeel (vier uur) per week kan worden toegekend voor het verrichten van zware huishoudelijke hulp. In geval van psychische klachten kan verweerder twee dagdelen (acht uren) toekennen als er sprake is van (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. Omdat appellant ouder is dan 70 jaar kunnen ook twee dagdelen worden toegekend als hij op grond van het totaal aan medische beperkingen niet in staat zou zijn lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.

3.3.

Geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, heeft in reactie op de rapportage van Laatsch uiteengezet dat bij de toepassing van het beleid de daadwerkelijke beperkingen centraal staan. De werkwijze van Laatsch, die een lijst met huishoudelijke taken heeft samengesteld, aan iedere taak een benodigd aantal uren heeft gekoppeld, en daarbij niet de beperkingen in de praktijk, maar de klachten centraal stelt, wordt door verweerder niet gevolgd.

3.4.

De beoordelingswijze van verweerder sluit aan op de geldende beleidscriteria en is dan ook niet als onjuist te beschouwen. Uit de rapportage van Ohlenschlager blijkt dat appellant in staat is tot het lopend doen van kleine boodschappen, het opmaken van zijn bed, het doen van een afwas en het opruimen van de vaat. Hij kan dus lichte huishoudelijke taken verrichten. De psychische klachten leiden niet tot zelfverwaarlozing of chaotisch gedrag. Daarmee is in dit geval niet voldaan aan de onder 3.2 omschreven voorwaarden voor toekenning van een tweede dagdeel huishoudelijke hulp. Die toekenning is dus niet ten onrechte geweigerd. Dat appellant, zoals is opgemerkt door Laatsch, in de praktijk de meeste huishoudelijke taken overlaat aan zijn dochter, kan dat niet anders maken.

3.5.

Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A.M. Pasmans

HD