Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
14/5408 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet geen reden om voorbij te gaan aan de conclusies die de verzekeringsarts met inachtneming van de rapportage van Van Marle, in zijn rapportage van 13 november 2014 heeft getrokken. De verzekeringsarts betoogt daarin dat het percentage van 15% veel meer in overeenstemming is met de beperkingen die betrokkene van zijn PTSS ondervindt. Hij bepaalt dit percentage door de WPC-schaal vergelijkenderwijs toe te passen. De hierbij gehanteerde percentages zijn maximumpercentages. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bij de onderbouwing van het percentage van 15% niet alle beperkingen heeft meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5408 MPW

Datum uitspraak: 23 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 augustus 2014, 11/6396 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

In verband met een herverdeling van taken is in deze zaak appellant in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de staatssecretaris verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een rapport van 13 november 2014 van verzekeringsarts P.G. Verkerk in het geding gebracht.

Namens betrokkene heeft mr. W.B. Knook een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Knook.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is in 1981 als militair in het kader van UNIFIL uitgezonden geweest naar Libanon. Per 1 oktober 1996 is hij uit de dienst ontslagen.

1.2.

Op 2 mei 2007 heeft betrokkene in verband met psychische klachten verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 5 februari 2008 heeft appellant hem met ingang van 4 mei 2006 een invaliditeitspensioen toegekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 15%, op grond van een psychische aandoening van traumatische aard. Ten aanzien van een psychische aandoening van niet traumatische aard is geen dienstverband aanvaard. Appellant heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van

31 januari 2008 van het sociaal medisch onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende psychiatrische expertise van psychiater-psychoanalyticus M.J. Van Weers van 12 januari 2008.

1.3.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 februari 2008 en heeft daarbij een rapport van psychiater dr. R.V. Schwarz (Schwarz) overgelegd, waarin deze stelt dat bij betrokkene ten tijde van de peildata 4 mei 2006 en 4 mei 2007 sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis. Op basis van de

WPC-schaal acht Schwarz een invaliditeitspercentage van 40% passend. Bij besluit van

30 juni 2011 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2008 ongegrond verklaard. Er is verergerend dienstverband aanvaard voor de bij betrokkene bestaande persoonlijkheidsproblematiek, die ten gevolge van de dienstuitoefening is verhard, terwijl de diagnose PTSS niet (meer) kan worden gesteld. De mate van invaliditeit blijft daarbij onveranderd gewaardeerd op 15%. Appellant heeft zich daarbij gebaseerd op de aanvullende reacties van de verzekeringsarts van 25 november 2008, 18 mei 2009, 29 oktober 2009 en 13 mei 2011.

2.1.

In haar tussenuitspraak van 4 april 2012 heeft de rechtbank, overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat in het geval aanvaard is dat een psychische aandoening in verergerend verband met de militaire dienst staat, bij de bepaling van het invaliditeitspercentage ook factoren dienen te worden betrokken, gelegen in de vroegere zielstoestand of in de andere omstandigheden die geen verband houden met de dienst.

Omdat in de aan het bestreden besluit 1 ten grondslag liggende rapportages, met name het rapport van Van Weers van 12 januari 2008, de factoren, gelegen in de vroegere zielstoestand of in de andere omstandigheden die geen verband houden met de dienst, onderbelicht zijn gebleven respectievelijk buiten beschouwing zijn gelaten, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft de minister daarom in de gelegenheid gesteld om Van Weers een nader advies te vragen en om, na ontvangst van het nadere advies, een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van wat de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft overwogen.

2.2.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft appellant Van Weers - door tussenkomst van de verzekeringsarts - om nader advies gevraagd. Bij brief van 29 augustus 2012 heeft verzekeringsarts Verkerk een nader advies uitgebracht op grond van de reactie van Van Weers van 28 juli 2012. Bij besluit van 31 augustus 2012 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

2.3.

Op 7 november 2013 heeft prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, op verzoek van de rechtbank een psychiatrische rapportage uitgebracht over betrokkene. De conclusie van deze rapportage is dat betrokkene lijdt aan een PTSS. In 1984 zijn er voor het eerst tekenen geweest van de posttraumatische stress, in termen van agressiviteit, asociaal zijn, prikkelbaar en een gevoel van chronisch bedreigd worden. Geleidelijk aan heeft dit beeld zich ontwikkeld tot een PTSS. Dat in 2007 na psychiatrisch onderzoek niet kon worden gekomen tot de diagnose PTSS wordt, voor zover na te gaan, verklaard door betrokkenes vermijdende, angstige houding en zijn angst voor gezichtsverlies. Pas tijdens een langer durende behandeling in 2010 zijn deze psychische mechanismen meer en meer duidelijk geworden aan zijn behandelaars. Vandaar ook dat de diagnose toen ook duidelijk gesteld kon worden.

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, het besluit van 5 februari 2008 herroepen en bepaald dat betrokkene met ingang van 4 mei 2006 recht heeft op een militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van 40%. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat zij het rapport van Van Marle volgt. Dit rapport biedt voldoende ondersteuning voor het standpunt van Schwarz in zijn rapport van

6 september 2008 en diens bepaling van de mate van invaliditeit, te weten 40%.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep richt zich tegen de vernietiging door de rechtbank van bestreden

besluit 2.

4.2.

Beide partijen onderschrijven de conclusie van Van Marle dat betrokkene lijdt aan PTSS. Appellant betoogt dat de rechtbank vervolgens ten onrechte Schwartz heeft gevolgd door het invaliditeitspercentage te bepalen op 40%. De Raad volgt appellant in dit standpunt. De rapportage van Van Marle geeft weliswaar uitsluitsel over de aanwezige PTSS, maar biedt, nu Van Marle zich volledig onthoudt van een oordeel daarover, geen grondslag voor het aannemen van het genoemde percentage. De Raad ziet geen reden om voorbij te gaan aan de conclusies op dit punt die de verzekeringsarts Verkerk, met inachtneming van de rapportage van Van Marle, in zijn rapportage van 13 november 2014 heeft getrokken. De verzekeringsarts betoogt daarin dat het percentage van 15% veel meer in overeenstemming is met de beperkingen die betrokkene van zijn PTSS ondervindt. Hij bepaalt dit percentage door de WPC-schaal vergelijkenderwijs toe te passen. De hierbij gehanteerde percentages zijn maximumpercentages. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bij de onderbouwing van het percentage van 15% niet alle beperkingen heeft meegenomen.

4.3.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2012 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A.M. Pasmans

HD