Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
16/797 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. Matching. Er ontbreken concrete aanwijzingen die de verklaring vormen voor de voorlegging voor een hernieuwde matching door de Werkgroep bij N en het achterwege laten daarvan bij appellant. De korpschef heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat voor beide gevallen gold dat het ‘een dubbeltje op zijn kant was’ of de functie A dan wel B moest worden toegekend. Geen draagkrachtige motivering. Verwijzing uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663. Tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar kan slechts bij de Raad beroep worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/797 AW

Datum uitspraak: 23 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

28 december 2015, 14/8746 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant ] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Dieks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieks. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V. de Kruijf-Stellaard en R.M.M. Paulssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was bij de voormalige politieregio Haaglanden aangesteld als Chef [functie 1] / [functie 2] . Ten behoeve van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is als uitgangspositie voor appellant de functie van [functie 2] vastgesteld. Daarbij zijn als specifieke werkzaamheden per 31 december 2011 vermeld: dagelijks leidinggeven aan beleidsmedewerkers engineering en aan beleidsmedewerkers taakveld verkeer, verantwoordelijk voor budget / middelen verkeershandhaving, projectleider (landelijke) aanbesteding middelen verkeershandhaving.

1.2.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie 3] (schaal 10), behorend tot het vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

6 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De toekenning en overgang naar de LFNP-functie [functie 3] is gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

4.2.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt gehandhaafd dat zijn functie gematcht had moeten worden met die van [functie 4] . Hij heeft in dat verband met name naar voren gebracht, dat zijn functie van [functie 2] behoort tot het domein Uitvoering en niet tot het domein Ondersteuning. In dit verband heeft hij ook gewezen op collega N, die net als hij in de politieregio Haaglanden [functie 2] was en aan wie de functie van [functie 4] is toegekend. Hij acht het ook onzorgvuldig dat zijn matching na de indiening van zijn zienswijze tegen het voornemen tot toekenning van de functie van [functie 3] - anders dan in het geval van N - niet opnieuw aan de Werkgroep matching (Werkgroep) is voorgelegd.

4.3.

De korpschef heeft er in hoger beroep op gewezen dat de korpsfunctiebeschrijving [functie 2] zowel elementen bevat die passen bij het domein Ondersteuning als elementen die passen bij het domein Uitvoering. Daarom kan, zoals ook is weergegeven in de Handleiding uitvoering matching LFNP, de plaats in de organisatie van doorslaggevende betekenis zijn voor de aanwijzing van het toepasselijke domein. Het korps Haaglanden heeft ervoor gekozen om steeds de plaats in de organisatie op te geven bij elke specifieke functieregel. Bij de [functie 2] , een functie die bij verschillende onderdelen van het korps voorkwam, is als plaats in de organisatie ‘korpsbreed’ opgegeven. In alle gevallen heeft dit geleid tot matching met de LFNP-functie [functie 3] in het domein Ondersteuning. In de bedenkingen van appellant tegen het voornemen tot toekenning van die functie heeft de korpschef geen aanleiding gezien om de gegevens van appellant voor een hernieuwde match aan te bieden aan de Werkgroep. In het geval van N heeft wel een hernieuwde matching door de Werkgroep plaatsgevonden omdat bij de korpschef twijfel was ontstaan over de juistheid van de matching. Bij die gelegenheid heeft de korpschef voor N als (nieuwe) plaats in de organisatie ‘uitvoering/BRI’ vermeld, hetgeen verwees naar het Bureau Regionale Informatie. N was daar verbonden aan het Team Openbare orde & Veiligheid Regionale Informatie. Omdat dit team belast was met intelligencewerk op het gebied van regionale informatie is aan N op advies van de Werkgroep de LFNP-functie van [functie 4] in het domein Uitvoering toegekend.

4.4.

Volgens de beleidsregel Instructie organieke matching (Stcrt. 2012, nr. 10411, zoals nadien gewijzigd, Stcrt. 2013, nr. 12776) (Beleidsregel) gelden voor de domeinen Uitvoering en Ondersteuning de volgende definities:

“Het domein Uitvoering draagt in de zin van het LFNP bij aan één van de vakgebieden vallend onder dit domein, te weten: Beveiliging, G(ebieds) G(ebonden) P(olitie), Informantenrunner, Intelligence, Interventie, Meldkamer, Observatie, Tactische Opsporing, Forensische Opsporing, Luchtvaart, Intake & Service en Operationeel Specialismen. Het domein Uitvoering levert een directe bijdrage aan operationele politietaken, en staat daarmee in rechtstreeks verband met de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding), de openbare orde en veiligheid en/of leefbaarheid in de samenleving.

Het domein Ondersteuning draagt in de zin van het LFNP bij aan één van de vakgebieden vallend onder dit domein, te weten: Bedrijfsvoering Specialismen, Gespecialiseerde Ondersteuning, Administratie en Secretariaat, Scheepvaart, Techniek, H(uisvesting) S(ervices) en M(iddelen), Onderzoek & Kennisontwikkeling en Docenten. Het domein Ondersteuning levert een bijdrage aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken en daarmee niet in rechtstreeks of onvoldoende verband staat met de handhaving van de rechtsorde.”

4.5.

Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550) mag de korpschef in beginsel volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. Het is aan de politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. De enkele omstandigheid dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn is, aldus de Raad, geen grond om de matching onhoudbaar te achten. Deze uitgangspunten nemen niet weg, dat de argumenten voor de door de korpschef gemaakte keuze wel te vinden moeten zijn in de op grond van de Beleidsregel voor de matching gebruikte stukken. In het functievergelijkingsformulier is volstaan met de stelling dat gelet op de verkregen korpsinformatie met betrekking tot deze functiebeschrijving de functionaris in overwegende mate werkzaamheden verricht op het gebied van de bedrijfsvoering en daarmee bijdraagt aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie; daarom is het domein Ondersteuning het meest vergelijkbaar en is de eventueel vermelde plaats in de organisatie niet langer van betekenis. In hoger beroep heeft de korpschef alsnog de plaats in de organisatie van doorslaggevend belang geacht en daarbij gewezen op de onderbrenging van de functie bij het Team Informatiebeheer & Bedrijfsvoering Verkeer van het Bureau Verkeer, dat ondersteuning leverde aan de Teams Handhaving Verkeer en Intake & Opsporing, die ook formatief ondergebracht waren bij het Bureau Verkeer. Hierin en in de door de korpschef met het oog op de plaats in de organisatie ingezonden stukken heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden voor de onderbouwing van de domeinbepaling. Het Organisatie formatieplan 2011 van het korps Haaglanden laat wel zien welke positie appellant binnen de (zelfstandige) afdeling Verkeer innam, maar daaraan kan niet worden ontleend waarom appellants functie, waarin zowel elementen zaten die pasten bij het domein Ondersteuning als bij het domein Uitvoering, het meest bij het domein Ondersteuning paste.

4.6.

De door de korpschef ingezonden stukken over N met eveneens de uitgangspositie van [functie 2] laten in het oorspronkelijke functievergelijkingsformulier een gelijke redenering zien als bij appellant. De door N’s zienswijze bij de korpschef gerezen twijfel heeft erin geresulteerd dat alsnog een andere plaats in de organisatie is aangewezen waarna de Werkgroep zonder nadere motivering het domein Uitvoering heeft gekozen en voor N de functie van [functie 4] werd uitgekozen. In de overgelegde stukken is niet inzichtelijk waarom N in het functievergelijkingsformulier alsnog een andere plaats in de organisatie heeft gekregen dan de oorspronkelijke en waarom de nieuwe plaats in de organisatie leidde tot de toekenning van het domein Uitvoering. Ook ontbreken concrete aanwijzingen die de verklaring vormen voor de voorlegging voor een hernieuwde matching door de Werkgroep bij N en het achterwege laten daarvan bij appellant. Ter zitting heeft de korpschef niet inzichtelijk kunnen maken waarom de informatievoorziening die N levert in het operationele proces “intelligence” wezenlijk verschilt van de informatievoorziening van appellant aan de opsporings- en handhavingspraktijk “verkeer”.

4.7.

De Raad tekent nog aan dat de korpschef ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat voor beide gevallen gold dat het ‘een dubbeltje op zijn kant was’ of de functie van [functie 3] dan wel de functie van [functie 4] moest worden toegekend. Mede gelet daarop leidt het onder 4.5 en 4.6 overwogene tot de conclusie dat aan het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbreekt, zodat dit niet in stand kan worden gelaten. Omdat de aangevallen uitspraak de tekortkoming in het bestreden besluit niet heeft onderkend komt deze voor vernietiging in aanmerking.

4.8.

Omdat de Raad niet beschikt over de benodigde gegevens om het geschil definitief te beslechten, zoals bedoeld in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zal de korpschef een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De omstandigheid dat de korpschef inmiddels, anders dan in het advies van de Werkgroep en bij het bestreden besluit, de plaats in de organisatie van doorslaggevend belang acht, brengt mee dat een hernieuwde voorlegging aan de Werkgroep in beginsel niet achterwege kan blijven. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. De proceskosten worden begroot op € 495,- aan kosten voor rechtsbijstand bij de rechtbank en

€ 990,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met in achtneming

van deze uitspraak en bepaalt dat tegen dat besluit alleen beroep bij de Raad kan worden

ingesteld;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;
- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 416,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.E. Bon

HD