Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
15/6448 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6448 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 december 2014, 14/290 AW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats]verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 16 februari 2017

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 18 juni 2015 gevraagd om herziening van de bovenvermelde uitspraak van de Raad.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door H.C. Roosblad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J. Hauser, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was van 17 november 1997 tot 1 september 2009 werkzaam bij de Dienst [dienst] van de gemeente Amsterdam in de functie van [functie] en uit dien hoofde Buitengewoon Opsporingsambtenaar.

1.2.

Op 30 november 2006 is verzoeker tijdens zijn werkzaamheden fysiek mishandeld, met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Verzoeker is daarna nog enkele keren hersteld geweest waardoor de eerste ziektedag is opgeschoven naar 17 januari 2007. In een expertiseverslag uit september 2007, dat is opgesteld door H. van Andel en H. van der Veen van de HSK Groep, is geconcludeerd dat bij verzoeker sprake was van klachten die passen bij een posttraumatisch stresssyndroom en een depressieve stoornis. Deze klachten zijn ontstaan in 2004, zijn daarna afgenomen en sinds december 2006 weer toegenomen. Het ontstaan van de klachten hangt volgens het expertiseverslag samen met factoren in de werksituatie, namelijk een aantal traumatische gebeurtenissen en de reactie van de werkgever daarop.

1.3.

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college op grond van artikel 512 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) de bezoldiging van verzoeker wegens arbeidsongeschiktheid, die langer heeft geduurd dan zes maanden, met ingang van 17 juli 2007 op 90% vastgesteld. Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college de bezoldiging van verzoeker wegens arbeidsongeschiktheid, die langer dan een jaar heeft geduurd, vanaf

17 januari 2008 op 75% vastgesteld. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten. Met ingang van 1 september 2009 is aan verzoeker ontslag verleend op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid voor de functie.

1.4.

Op 16 mei 2011 heeft verzoeker enerzijds en de gemeente Amsterdam en haar verzekeringsbedrijf anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat verzoeker een bedrag van € 75.000,- ontvangt “ter finale en definitieve regeling van alle schade, wegens het aan hem bij de voorvallen op 11 augustus 2003 en 30 november 2006 toegebrachte letsel en de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden schade waaronder het verminderd vermogen tot het presteren van arbeid en immateriële schade” en waarin verder is vastgelegd dat alle geschillen tussen partijen ter zake van de gevolgen van die voorvallen voor altijd zijn beëindigd.

1.5.

Vervolgens heeft verzoeker het college verzocht om de behandeling van de bezwaren tegen voornoemde besluiten over de bezoldiging voort te zetten.

1.6.

Bij besluit van 7 maart 2013, 13/1856, heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van ongeschiktheid in en door de dienst.

1.7.

Bij de uitspraak van 18 december 2013 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 maart 2013 ongegrond verklaard. Uit de stukken is volgens de rechtbank onvoldoende gebleken dat de werkzaamheden een buitensporig karakter kenden en dat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate aan de arbeidsconflictueuze situatie te wijten is.

1.8.

Bij de uitspraak van 18 december 2014, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2013 bevestigd.

2. Verzoeker heeft het verzoek om herziening gebaseerd op de stelling dat de Raad bij zijn uitspraak van 18 december 2014 is uitgegaan van de verkeerde feiten, heeft nagelaten te oordelen dat de vaststelling van de bezoldiging ten onrechte is gebaseerd op artikel 512 van het ARA, heeft nagelaten te oordelen over de kern van de zaak en in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van discriminatie. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verzoeker een verklaring van 30 mei 2016, waaruit blijkt dat hij onder psychiatrische behandeling staat, en een psychiatrisch rapport van 23 juni 2016 overgelegd. Verder heeft verzoeker ter zitting van de Raad verklaard genoegdoening, eerherstel en schadevergoeding te wensen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Wat verzoeker aan dit verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd is geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Al tijdens de procedure die geleid heeft tot de uitspraak waarvan verzoeker thans herziening vraagt, was bekend dat verzoeker kampte met psychische klachten. Niet valt in te zien dat verzoeker niet al in deze eerdere procedure had kunnen aanvoeren dat het college had toegezegd een nadere psychiatrische rapportage te laten opmaken en dit had nagelaten. Ook valt niet in te zien dat verzoeker in die eerdere procedure niet zelf een nadere psychiatrische rapportage had kunnen laten opstellen en had kunnen inbrengen. Het komt erop neer dat verzoeker met zijn verzoek om herziening poogt een discussie over de juistheid van de uitspraak van de Raad van

18 december 2014 te voeren. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

13 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX8718) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. Daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen.

3.3.

Bij deze uitkomst is een veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A.M. Pasmans

HD