Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
15/4238 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3397, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Terugvordering voorschot. Niet gemeld dat appellente in verband met medische ingreep buiten de gemeente verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4238 WWB, 15/4239 WWB, 15/4240 WWB

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 mei 2015, 14/7581, 14/7582, 14/7604 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Als tolk is verschenen J.A. Kleijmans. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 4 maart 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Bij brief van 6 mei 2014 heeft appellante het college in gebreke gesteld en verzocht een beslissing op de aanvraag te nemen. Bij brief van 8 mei 2014 heeft het college aan appellante medegedeeld dat nog geen sprake is van een aanvraag, zodat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend. Op 16 mei 2014 heeft appellante de aanvraag ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een controlemedewerker van de gemeente Schiedam dossieronderzoek verricht, de door appellante ingeleverde bankafschriften van de laatste drie maanden bekeken, Facebook geraadpleegd en informatie bij diverse instanties opgevraagd. De controlemedewerker heeft geconstateerd dat op de bankafschriften zichtbaar was dat appellante veel in [plaatsnaam 1] pint en ook diverse malen in [plaatsnaam 2] , maar nauwelijks in [plaatsnaam 3] . Voorts heeft de controlemedewerker na raadpleging van Facebook geconstateerd dat appellante een relatie heeft gehad of nog heeft met [naam A] . Om die reden hebben de controlemedewerker en een rechtmatigheidsconsulent op 17 juni 2014 getracht om een onaangekondigd huisbezoek op het adres van appellante af te leggen, maar op het aanbellen werd niet gereageerd. Bij brief van 23 juni 2014, door de controlemedewerker in de brievenbus van appellante gedeponeerd, heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 25 juni 2014 om de woon- en leefsituatie van appellante te bespreken. In die brief staat dat indien appellante door omstandigheden verhinderd is te komen, zij telefonisch contact op moet nemen. Indien zij zonder bericht van verhindering niet verschijnt, dan kan zij dit verzuim herstellen door uiterlijk 26 juni 2014 vóór 9.30 uur telefonisch contact op te nemen. Appellante is niet verschenen en heeft evenmin telefonisch contact opgenomen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 26 juni 2014.

1.3.

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college appellante een voorschot van € 400,- toegekend.

1.4.

Bij besluit van 26 juni 2014 (besluit 1) heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Appellante is zonder bericht van verhindering niet verschenen op de afspraak van 25 juni 2014 en heeft geen gebruik gemaakt van de hersteltermijn.

1.5.

Bij besluit van 2 juli 2014 (besluit 2) heeft het college het verleende voorschot van

€ 400,- van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 26 september 2014 heeft het college het bezwaar tegen de brief van 8 mei 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de ingebrekestelling prematuur is en naar zijn aard niet als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. De reactie van het college op de premature ingebrekestelling is een mededeling die niet op rechtsgevolg is gericht, zodat geen sprake is van een besluit.

1.7.

Bij besluit van 26 september 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Niet is komen vast te staan dat appellante aan haar participatiecoach heeft gemeld dat zij op 19 juni 2014 een operatie zou ondergaan en aansluitend buiten [plaatsnaam 3] zou verblijven. Het kan appellante worden verweten dat zij niet tijdig haar post heeft bekeken en daarop de juiste actie heeft ondernomen.

1.8.

Bij besluit van 26 september 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan niet tot terugvordering had kunnen worden overgegaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college appellante terecht heeft tegengeworpen dat zij niet is verschenen op de afspraak van 25 juni 2014 om inlichtingen te verstrekken als gevolg waarvan het college niet heeft kunnen vaststellen of appellante recht op bijstand heeft. De omstandigheid dat appellante niet op de afspraak aanwezig kon zijn, omdat zij de brief van 23 juni 2014 niet tijdig heeft ontvangen dan wel gezien, komt voor haar rekening. Uit het contactoverzicht blijkt wel dat appellante op 18 juni 2014 telefonisch aan haar participatiecoach heeft doorgegeven dat zij op 19 juni 2014 een kleine ingreep zou ondergaan in het ziekenhuis, maar niet dat zij na deze operatie enige dagen in [plaatsnaam 2] zou verblijven. Dat appellante dit wel heeft doorgegeven, blijkt niet uit het dossier en is ook anderszins niet door appellante aannemelijk gemaakt. Het college was dan ook niet gehouden om de afspraak telefonisch met appellante te maken of om een nieuwe uitnodiging te sturen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college bevoegd was om het verstrekte voorschot van € 400,- van appellante terug te vorderen. Appellante heeft geen dringende redenen aangevoerd op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard. Zij heeft, evenals in beroep en voor zover ter zitting gehandhaafd, aangevoerd dat het college appellante ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet is verschenen op de afspraak op 25 juni 2014 om inlichtingen te verstrekken. Appellante heeft tijdig aan haar participatiecoach meegedeeld dat zij op 19 juni 2014 in het ziekenhuis een ingreep zou ondergaan en enkele dagen uit de roulatie zou zijn. Zij heeft ook medegedeeld dat zij daarom een aantal dagen in [plaatsnaam 2] zou verblijven bij een kennis die haar zou verzorgen. Het college was niet bevoegd het aan appellante verleende voorschot van haar terug te vorderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat appellante ook in hoger beroep geen begin van bewijs heeft geleverd van haar stelling dat zij aan haar participatiecoach heeft doorgegeven dat zij na haar operatie op 19 juni 2014 enige tijd in [plaatsnaam 2] zou verblijven.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A. Mansourova

HD