Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
16/3426 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De wetgever heeft met de invoering van de Wmo 2015 het in artikel 1.2.2 opgenomen koppelingsbeginsel van toepassing verklaard op de in artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 opgenomen maatwerkvoorziening bestaande uit maatschappelijke opvang.

Vreemdelingen als appellant zijn geen vreemdelingen als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en zijn ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld. De Raad gaat ervan uit dat de opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid (de staatssecretaris) vallen, alsook dat met deze tot het vreemdelingenrecht behorende voorzieningen een toereikende invulling moet worden gegeven aan het verdragsrecht. Het is in hoger beroep uiteindelijk aan de Afdeling om over de uitvoering hiervan te oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3426 WMO15

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
4 mei 2016, 15/4105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Opmeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/994, 16/1668, 16/1669, 16/1830, 16/1803, 16/3426, 16/2406, 16/2813 en 16/3530 heeft gevoegd plaatsgehad op 7 december 2016. Namens appellant is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Bruijn en M.D.W. Blankendaal-de Vries. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Appellant heeft het college verzocht om op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen bestaande uit passende maatschappelijke opvang.

1.3.

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft het college aan appellant een

bed-bad-broodvoorziening toegekend.

1.4.

Bij besluit van 31 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juni 2015 ongegrond verklaard. Volgens het college hebben vreemdelingen zonder verblijfsstatus geen verdergaand recht dan de bed-bad-broodvoorziening die aan appellant is toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de door het college toegekende bed-bad-broodvoorziening, anders dan appellant meent, niet berust op de Wmo 2015, maar op buitenwettelijk beleid van het college. De rechtbank heeft overwogen dat appellant op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en dat uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en de Raad van

26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834) blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.

3. Appellant heeft in hoger beroep, voor zover hier van belang,, aangevoerd dat door het ontbreken van zicht op vertrek geen opvang door de staatssecretaris wordt verleend en dat zich daardoor zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat, met doorbreking van het koppelingsbeginsel op grond van het internationale recht, een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 geboden dient te worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad is bevoegd te oordelen over het geschil zoals dat aan hem is voorgelegd aangezien dat betrekking heeft op de Wmo 2015.

4.2.

De Raad heeft steeds geoordeeld dat indien er ten aanzien van vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), deze primair berust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Dit uitgangspunt is onder meer neergelegd in de uitspraken van de Raad van 19 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956, en van 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844.

4.3.

In haar uitspraak van 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722, heeft de Afdeling geoordeeld: “Meer in het algemeen betekent dit dat een onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die geen aanspraak heeft op voorzieningen vanwege het COa en die meent op grond van een op de Staat rustende verdragsrechtelijke verplichting aanspraak te hebben op opvang, zich dient te wenden tot de staatssecretaris.”

4.4.

In zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft de Raad geoordeeld dat een door de staatssecretaris aangeboden plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende opvangvoorziening. Weliswaar is die voorziening niet gebaseerd op een wettelijke bevoegdheid om onderdak en andere voorzieningen te bieden, maar dat neemt niet weg dat met deze voorziening voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Met het door de Afdeling in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3415 gegeven toetsingskader wordt recht gedaan aan de door de betrokken vreemdelingen ingeroepen verdragsbepalingen van het EVRM en van het Europees Sociaal Handvest (ESH), alsmede aan de door het Europees Comité voor Sociale Rechten aan het ESH gegeven uitleg. De Raad ziet dit oordeel inmiddels ook bevestigd in de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 28 juli 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0705DEC001793116.

4.5.

In zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834, heeft de Raad verder overwogen dat nu de Wmo 2015 voorziet in een generieke regeling voor de (maatschappelijke) opvang van dak- en thuislozen en de staatssecretaris verantwoordelijk is voor specifiek opvangrecht voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, overwegingen van rechtszekerheid en het belang van een transparante rechtsmachtverdeling ertoe leiden dat door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet langer zullen worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo, onderscheidenlijk de Wmo 2015.

4.6.

In zijn uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:622, heeft de Raad geoordeeld dat er geen aanleiding is de onder 4.4 genoemde uitspraak niet ook voor de Wmo 2015 van toepassing te achten zodat er geen noodzaak bestond om op grond van de Wmo 2015 opvang of leefgeld te verstrekken. De Raad heeft in deze uitspraak verder overwogen dat het standpunt van de vreemdeling dat opvang in een VBL van hem niet kan worden gevergd, omdat de daaraan verbonden voorwaarde van medewerking aan vertrek wegens bijzondere omstandigheden onrechtmatig is, niet afdoet aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL en dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gestelde voorwaarde is voorbehouden aan de vreemdelingenrechter en uiteindelijk aan de Afdeling.

4.7.

In zijn uitspraken van 17 augustus 2016, ECLI:CRVB:2016:3093 tot en met 3096, heeft de Raad geoordeeld dat ook het feit dat vreemdelingen die zich bij de VBL hebben gemeld en daarbij, ondanks dat zij zich bereid hebben verklaard te willen meewerken aan vertrek, niet worden toegelaten, evenals het antwoord van de staatssecretaris van 22 juni 2016 op de hierover door leden van de Tweede Kamer gestelde vragen, niet tot een ander oordeel leidt. Tegen het niet toelaten tot de opvang in de VBL is beroep bij de vreemdelingenrechter mogelijk en het is uiteindelijk aan de Afdeling om over de rechtmatigheid hiervan te oordelen.

4.8.

De Raad voegt aan het voorgaande nog het volgende toe. Artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 luidt voor zover van belang:

“1. Een vreemdeling komt voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

[….]

3. In afwijking van het eerste of het tweede lid kan worden bepaald dat in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven maatwerkvoorzieningen. Het in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening geeft een vreemdeling geen recht op rechtmatig verblijf.”

In artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toepassing gegeven aan artikel 1.2.2, derde lid, van de Wmo. Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Voor de toepassing van de wet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:

a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.”

4.9.

Uit 4.8 volgt dat de wetgever met de invoering van de Wmo 2015 het in artikel 1.2.2 opgenomen koppelingsbeginsel van toepassing heeft verklaard op de in artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 opgenomen maatwerkvoorziening bestaande uit maatschappelijke opvang. Dit verschilt van de regeling onder de Wmo waarbij voor de werking van het koppelingsbeginsel bij maatschappelijke opvang, bij gebreke aan een specifieke voorziening, moest worden teruggevallen op de artikelen 10 en 11 van de

Vw 2000.

4.10.

Vreemdelingen als appellant zijn geen vreemdelingen als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en zijn ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen, gaat de Raad ervan uit dat de opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid (de staatssecretaris) vallen, alsook dat met deze tot het vreemdelingenrecht behorende voorzieningen een toereikende invulling moet worden gegeven aan het verdragsrecht. Het is in hoger beroep uiteindelijk aan de Afdeling om over de uitvoering hiervan te oordelen.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015, appellant geen aanspraak kan maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015.

4.12.

De aangevallen uitspraak komt voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015 voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM