Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:63

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/1265 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Schending inlichtingenverplichting. Meer gewerkt dan opgegeven. Recht niet vast te stellen. Ook niet schattenderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1265 WWB

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

12 januari 2016, 15/578 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland te Geldermalsen, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Tiel (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.J. Rubens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rubens. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rijs.

OVERWEGINGEN

1. Als gevolg van de inwerkingtreding op 1 januari 2016 van de gemeenschappelijke regeling Werkzaak Rivierenland (hierna: de Regeling) oefent het dagelijks bestuur van het bij de Regeling ingestelde openbaar lichaam “Werkzaak Rivierenland” de bevoegdheden in het kader van de Participatiewet uit, die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, met uitzondering van de bijzondere bijstand. Onder het dagelijks bestuur wordt hierna, voor zover van toepassing, tevens het college begrepen.

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant ontving in de periode van 22 maart 2012 tot en met 23 oktober 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 24 oktober 2012 naar de norm voor gehuwden. Appellant werkt sinds 1 juli 2012 bij cafetaria [cafetaria] aan de [adres] (cafetaria). Het dagelijks bestuur heeft vanaf 1 juli 2012 de inkomsten uit arbeid van appellant in mindering gebracht op de bijstand. In de periode dat appellant daar werkt heeft het cafetaria verschillende eigenaren gehad. Van 1 juni 2012 tot en met 31 augustus 2012 was [eigenaar 1] eigenaar. Van 1 september 2012 tot en met 30 november 2013 was [eigenaar 2] , de twee jaar oudere broer van appellant, de eigenaar. Met ingang van 1 januari 2013 is [eigenaar 3] de eigenaar. Appellant had in de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012 een arbeidscontract van 10 uur per week waarvoor hij

€ 300,- netto per maand ontving. Vervolgens had appellant tot en met 28 februari 2013 een arbeidscontract van 12 uur per week voor € 350,- netto per maand. Daarna had appellant geen arbeidscontract meer, maar hij werkte wel bij het cafetaria.

1.3.

Naar aanleiding van een bij de Afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Tiel binnengekomen signaal, heeft de sociale recherche Regio Rivierenland Tiel (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn gegevens opgevraagd en is op 7 mei 2014 een gesprek gevoerd met appellant en op 21 mei 2014 met appellant en zijn werkgever. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport Onderzoek handhaving van 26 juni 2014.

1.4.

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2012 ingetrokken. Bij besluit van 28 juli 2014 heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand naar de norm voor een ongehuwde over de periode van 1 juli 2012 tot en met 23 oktober 2013 ter hoogte van € 10.684,95 teruggevorderd. Voorts heeft het dagelijks bestuur bij besluit van eveneens 28 juli 2014 - gecorrigeerd bij brief met bijlage van 31 juli 2014 - de bijstand van appellant en zijn partner, berekend naar de norm voor gehuwden over de periode van 24 oktober 2013 tot en met 30 april 2014 tot een bedrag van € 7.208,14 van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 22 december 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de onder 1.4 genoemde besluiten van 26 juni 2014 en 28 juli 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij meer uren heeft gewerkt bij het cafetaria dan hij heeft opgegeven. Omdat appellant geen administratie heeft bijgehouden van zijn werkzaamheden en aanwezigheid in het cafetaria, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen loopt van 1 juli 2012 tot en met 26 juni 2014 (te beoordelen periode).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het dagelijks bestuur rust.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht bij het cafetaria dan hij heeft opgegeven. Dit volgt uit de verklaring van appellant.

4.4.1.

Blijkens het verslag van het gesprek van 7 mei 2014 heeft appellant het volgende verklaard:

“Ik spreek Nederlands. Als ik het niet begrijp dan zal ik het zeggen. (…)

U vraagt mij nu wanneer ik werk. Ik werk bijna iedere dag. Soms heb ik een dag vrij. Ik werk vanaf de middag tot in de avond. In de week werk ik minder dan op vrijdag, zaterdag en zondag. Ik werk gemiddeld drie à vier uur per dag, in het weekeinde meer. U telt nu de uren op en ik zie dat ik meer dan 25 uur per week werk. Dat zou kunnen kloppen. U laat mij nu een salaris specificatie zien. Ik zie dat ik veel minder uren opgeef dan dat ik werk. Ik weet niet hoe dit kan. Misschien begrijp ik het niet. Ik zal het met mijn werkgever bespreken en als hij wil dan maken wij met u een afspraak. Ik zou nu maar minder dan twee euro per uur verdienen, dat kan niet. Ik krijg mijn geld altijd contant. Ik ga het bespreken maar ik begrijp dat u niet akkoord gaat met mijn opgave van werkuren.”

4.4.2.

De stelling van appellant dat hem ten onrechte geen cautie is gegeven voorafgaande aan het gesprek op 7 mei 2014 treft geen doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bijstandsverlenend orgaan niet gehouden is de betrokkene die in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek, gericht op de (nadere) vaststelling van het recht op bijstand, een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin. Appellant heeft niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank niet gevolgd kan worden.

4.4.3.

De beroepsgrond dat appellant niet aan zijn verklaring van 7 mei 2014 gehouden kan worden omdat daarbij geen tolk aanwezig was, slaagt evenmin. Uit het gespreksverslag van

7 mei 2014 blijkt dat appellant heeft verklaard dat hij Nederlands spreekt en dat hij het zal zeggen als hij het niet begrijpt. Verder heeft hij gedetailleerd antwoord gegeven op feitelijke vragen over hoeveel en wanneer hij werkt.

4.5.

Op 21 mei 2014 is een tweede gesprek met appellant gevoerd in het bijzijn van de vader van de eigenaar van het cafetaria [naam] , die feitelijk over de dagelijkse gang van zaken in het cafetaria gaat. Hij heeft verklaard dat appellant niet zoveel uren heeft gewerkt. Hij houdt in een schriftje precies bij hoeveel uren er worden gewerkt en aan het eind van de maand scheurt hij de desbetreffende pagina eruit en geeft dat aan de boekhouder. Hiermee is niet aannemelijk gemaakt hoeveel uren appellant nu daadwerkelijk heeft gewerkt. Het door de werkgever genoemde schriftje of de daaruit gescheurde bladzijden of andere gegevens zijn, hoewel appellant daartoe door het dagelijks bestuur in de gelegenheid is gesteld, niet overgelegd. Aan de in hoger beroep overgelegde salarisstroken over de periode van september 2012 tot en met mei 2014 kan niet de waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien, omdat het salaris contant werd uitbetaald en appellant heeft verklaard dat hij meer uren werkte dan er werden verloond.

4.6.

Appellant heeft zowel op de hoorzitting in bezwaar als op de zittingen bij de rechtbank en de Raad, verklaard dat hij meer in het cafetaria aanwezig was dan hij kreeg uitbetaald. Dat was niet alleen voor de sociale contacten, maar ook omdat hij een nulurencontract had en veel moest wachten totdat er een klusje kwam. Dit kan, anders dan hij heeft betoogd, aan het voorgaande niet af doen. De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek rechtvaardigt de vooronderstelling dat de desbetreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Vergelijk de uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.7.

Door het college niet volledig in kennis te stellen van alle uren waarop hij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het is dan aan appellant om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting had voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Daarin is hij niet geslaagd. Appellant heeft geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over de precieze omvang van zijn werkzaamheden en het aantal uren dat hij aanwezig was in het cafetaria. Daarom kan niet worden vastgesteld - ook niet schattenderwijs - wat appellant normaliter aan inkomsten had kunnen bedingen of ontvangen en dus evenmin of hij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Dit betekent dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het dagelijks bestuur was dan ook gehouden om op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand in te trekken. Het betoog van appellant dat het dagelijks bestuur daartoe niet bevoegd was omdat hem bijstand was toegekend onder verrekening van inkomsten in eerdere, inmiddels onaantastbaar geworden besluiten van 25 september 2012 en 14 februari 2013, slaagt niet.

4.8.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C. Mouistaïne

HD