Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
15/5964 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. De verzekeringsartsen hebben de pijnklachten erkend en daarvoor ook beperkingen opgenomen in de FML. Beperkingen niet onderschat. Overtuigend gemotiveerd dat appellant ondanks zijn beperkingen de geduide functies kan vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5964 WIA

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 juli 2015, 14/8137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. El Haddouchi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Haddouchi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als schoonmaker voor 12 uur per week. Hij heeft zich op
15 augustus 2012 ziek gemeld wegens rug-, voet- en schouderklachten.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2014 vastgesteld dat voor appellant per einde wachttijd op 13 augustus 2014 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen niet juist zijn ingeschat. Kort na de hier in geding zijnde datum heeft een orthopedisch chirurg hem geadviseerd een ingrijpende operatie te ondergaan. Alleen hieruit al blijkt de ernst van de klachten. Appellant is nu onder behandeling bij de orthopedisch chirurg en bij de pijnpoli.

3.1.2.

De geselecteerde functies zijn niet geschikt voor appellant. Voor de functies inpakker, snackbereider en productiemedewerker metaal en elektro is vereist dat de Nederlandse taal wordt begrepen. Appellant is de Nederlandse taal niet machtig en kan feitelijk alleen functioneren met een tolk. Voor de functies productiemedewerker papier en karton en medewerker tuinbouw moet Nederlands gelezen worden. Appellant is analfabeet. De functie huishoudelijk medewerker is ongeschikt omdat er veelvuldig getild moet worden. Bovendien kan hij de noodzakelijke theoretische dagopleiding niet doen wegens zijn analfabetisme. Appellant heeft niet twee tot drie jaar basisonderwijs gevolgd, maar slechts twee tot drie maanden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant onjuist of onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant in aansluiting op de hoorzitting onderzocht. Hij heeft geen afwijkingen gezien bij een soepele wervelkolom. Uit de brief van orthopedisch chirurg H.E. de Meijier van 15 juli 2014 blijkt dat uit röntgenonderzoek van de lumbale wervelkolom alsmede de MRI een onveranderde degeneratieve spondylo-listhesis is vastgesteld op het niveau L5/S1, met mogelijk iets wortelverdringing van L5 beiderzijds. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische argumenten om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is aangescherpt op het onderdeel aaneengesloten lopen. Voor het overige kan hij zich verenigen met conclusies van de primaire verzekeringsarts. Deze arts had appellant al beperkt belastbaar geacht op onder andere tillen of dragen, zware lasten hanteren en lopen.

4.1.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het gegeven dat hem een ingrijpende operatie is geadviseerd al genoeg zegt over de ernst van de klachten. Dit advies op zich is echter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, nu de verzekeringsartsen van het Uwv zijn pijnklachten hebben erkend en daarvoor ook beperkingen hebben opgenomen in de FML. Het is niet gebleken dat de beperkingen zijn onderschat.

4.2.1.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor hem geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van
20 oktober 2014 overtuigend gemotiveerd dat appellant ondanks zijn beperkingen de functies kan vervullen. De signaleringen die aangeven dat er mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid zijn naar behoren toegelicht.

4.2.2.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 9 februari 2016 nogmaals de geschiktheid van de functies besproken. Daargelaten of appellant twee tot drie jaar of twee tot drie maanden basisonderwijs heeft gevolgd, wordt geoordeeld dat de functies geschikt zijn. Appellant is vanaf 1997 werkzaam geweest als schoonmaker bij diverse werkgevers en niet is gebleken dat zijn kennis van de Nederlands taal tekort heeft geschoten. De functies die zijn geselecteerd hebben allemaal opleidingsniveau 1 (geen tot enkele jaren basisonderwijs). Appellant voldoet hieraan. In de functie medewerker tuinbouw moeten codes met elkaar vergeleken worden. Van echt lezen is alleen in de functie schoonmaker sprake. Deze functie is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep alsnog minder geschikt geacht. Er resteren voldoende functies om de schatting op te kunnen baseren.

4.3.

Wat in 4.1 tot en met 4.2.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat met ingang van 13 augustus 2014 voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

TM