Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
15/4909 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag schadevergoeding. Onjuist vermeld uitkeringsbedrag in het toekenningsbesluit. De Svb mocht de fout herstellen. De schade staat niet in verband met het onrechtmatige besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4909 WWB

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 juni 2015, 14/1635 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.C. Engels, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek ingediend om de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Namens appellant is mr. D.E. Post, kantoorgenoot van mr. Engels, verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 2 augustus 2012 heeft de Svb appellant met ingang van 18 december 2012 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Vanaf 1 januari 2013 ontvangt appellant € 967,82 bruto AOW-pensioen per maand.

1.2.

Appellant heeft op 10 september 2012 bij de Svb bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) aangevraagd. Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft de Svb appellant met ingang van 18 december 2012 een AIO-aanvulling toegekend. Daarbij heeft de Svb vermeld dat appellant vanaf 1 januari 2013 elke maand € 1.484,13 netto aan AOW-pensioen en AIO-aanvulling ontvangt.

1.3.

Bij brief van 24 juli 2013 heeft appellant de Svb om uitleg verzocht over het feit dat hij maandelijks een bedrag van € 954,61 ontvangt, wat niet overeenstemt met het in het besluit van 4 oktober 2012 genoemde bedrag van € 1.484,13.

1.4.

Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft de Svb het besluit van 4 oktober 2012 herzien voor zover het betreft de vermelding van het maandelijks door appellant te ontvangen nettobedrag aan AOW-pensioen en AIO-aanvulling. Dat bedrag is gewijzigd in € 955,57. In een begeleidend schrijven bij dit besluit heeft de Svb appellant medegedeeld dat het bedrag in het besluit van 4 oktober 2012 niet juist is. Bij het vaststellen van de AIO-aanvulling had de Svb verzuimd het AOW-pensioen geheel mee te nemen in de berekening, waardoor de

AIO-aanvulling in het besluit van 4 oktober 2012 hoger was uitgevallen.

1.5.

Bij besluit van 3 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat in het besluit van 4 oktober 2012 weliswaar een te hoog nettobedrag wordt vermeld, maar dat in dit besluit ook het normbedrag van een AIO-aanvulling voor een alleenstaande staat. Verder staat in dit besluit dat het netto AOW-pensioen van het normbedrag wordt afgetrokken en dat uit het besluit van 2 augustus 2012 blijkt dat het AOW-pensioen van appellant netto € 930,37 bedraagt. Dringende redenen om de AIO-aanvulling niet per 18 december 2012 te herzien zijn niet aanwezig, omdat appellant niet voldoende initiatief heeft genomen.

1.6.

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft de Svb het verzoek van appellant om een passende schadeloosstelling afgewezen. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat naar aanleiding van het besluit van 4 oktober 2012 aan appellant een lening is verstrekt waarvan appellant de aflossing van de financiering niet meer kan opbrengen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 3 juli 2014 aangemerkt als een onderdeel van het bestreden besluit en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de handelwijze van de Svb in strijd is met de beginselen van zorgvuldigheid en rechtszekerheid. Hij mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het in het besluit van

4 oktober 2012 genoemde bedrag van € 1.484,13 zou worden uitbetaald. Appellant is destijds door de Svb onjuist voorgelicht en heeft op basis van de onjuiste berekening van de Svb een financiering afgesloten die is gebaseerd op te hoog ingeschatte uitkeringsgelden. Appellant heeft daardoor te maken met hogere rentelasten dan hij kan betalen. Hij kan niet meer aan de aflossingsverplichting voldoen en verkeert daardoor in financiële problemen. Als gevolg van het onjuiste besluit van 4 oktober 2012 heeft appellant schade geleden die door de Svb had moeten worden vergoed. Appellant heeft tevens verzocht de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wijziging nettobedrag

4.1.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, komt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:850) aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Hiervan is niet gebleken. Niet in geschil is dat appellant vanaf 1 januari 2013 maandelijks het juiste nettobedrag aan AOW-pensioen en AIO-aanvulling uitbetaald heeft gekregen.

Afwijzing schadevergoedingsverzoek

4.2.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

4.3.

Appellant stelt schade te hebben geleden door het besluit van 4 oktober 2012, omdat hij op basis van dat - achteraf gezien - onjuiste besluit handelingen heeft verricht, te weten het afsluiten van een lening, waardoor hij in de financiële problemen is gekomen.

4.4.

Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde, zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.5.

In dit geding staat de onrechtmatigheid van het besluit van 4 oktober 2012 tussen partijen vast.

4.6.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beweerdelijk door hem geleden schade verband houdt met het besluit van 4 oktober 2012. In het bijzonder heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de Kredietbank hem op basis van dit besluit een lening heeft verstrekt en dat hij daardoor (financiële) schade heeft geleden. De Svb heeft appellant diverse malen verzocht om gegevens over de lening over te leggen, zoals de kredietaanvraag met bijbehorende stukken en een eerdere afwijzing van een kredietaanvraag. Appellant heeft die gegevens niet overgelegd. Appellant heeft ook in hoger beroep geen gegevens verstrekt waaruit kan worden opgemaakt dat hij door het besluit van 4 oktober 2012 (financiële) schade heeft geleden. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de Svb het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt daarom afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A. Mansourova

HD