Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
15/5357 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding in verband met onrechtmatige afwijzing langdurigheidstoeslag. Juiste berekening rente. Geen grond voor toewijzen immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5357 WWB, 16/7255 WWB

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 juni 2015, 13/6781 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft op 19 november 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en bij besluit van 14 maart 2016 in verband hiermee aan appellante wettelijke rente vergoed.

Partijen hebben over en weer op elkaars standpunt gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 3 juli 2013 langdurigheidstoeslag voor 2006 en 2007 aangevraagd. Bij afzonderlijke besluiten van 20 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

9 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvragen afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

3.2.

Hangende hoger beroep heeft het college bij besluit van 19 november 2015 het bestreden besluit ingetrokken en appellante alsnog langdurigheidstoeslag toegekend over 2006 en 2007.

3.3.

Appellante heeft de Raad bericht dat zij hiermee akkoord gaat en heeft tegelijkertijd een verzoek om schadevergoeding ingediend.

3.4.

In reactie hierop heeft het college bij besluit van 14 maart 2016 € 51,54 aan wettelijke rente over de nabetaalde langdurigheidstoeslag vergoed.

3.5.

Appellante heeft de ingangsdatum en de berekeningswijze van het bedrag van € 51,54 bestreden. Voorts heeft zij een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade.

3.6.

Het college heeft gepersisteerd bij de hoogte en ingangsdatum van de wettelijke rente en heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 19 november 2015 komt geheel tegemoet aan het (hoger) beroep van appellante. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.

4.2.

Het college heeft het bestreden besluit ingetrokken en appellante alsnog langdurigheidstoeslag over 2006 en 2007 toegekend. Niet in geschil is dat het bestreden besluit onrechtmatig is, welke onrechtmatigheid aan het college dient te worden toegerekend. Uit het voorgaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

4.3.

Het college heeft de wettelijke rente vergoed over de periode van 20 augustus 2013 tot de uitbetaling in november 2015. Appellante stelt dat zij al eerder aanvragen om langdurigheidstoeslag over 2006 en 2007 heeft ingediend, althans dat zij pogingen heeft gedaan om een aanvraag in te dienen, en dat bij de berekening van de wettelijk rente van die eerdere aanvragen dient te worden uitgegaan. In dit verband heeft appellante gesteld dat zij door het college van een daadwerkelijke aanvraag is afgehouden, van loket naar loket is gestuurd en dat zij in verband met haar gezondheidstoestand niet in staat was adequaat te handelen en te reageren.

4.4.

Uit de gedingstukken is niet gebleken dat appellante eerder dan op 3 juli 2013 een aanvraag om langdurigheidstoeslag over 2006 en 2007 heeft ingediend. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij door het college van het indienen van een aanvraag is afgehouden. Voorts heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat ze zelf niet in staat was om (tijdig) een aanvraag om langdurigheidstoeslag in te dienen. Zo appellante al buiten staat was om een dergelijke aanvraag in te dienen, had zij een derde kunnen inschakelen om haar belangen te behartigen. Het college heeft derhalve bij de berekening van de periode waarover wettelijke rente moet worden berekend aangesloten bij de aanvraag van 3 juli 2013. Met de vergoeding van de wettelijke rente, zoals door het college ter zitting nader is toegelicht, en die de Raad ook overigens niet onjuist voorkomt, is appellante niet tekort gedaan.

4.5.

In het kader van het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft appellante aangevoerd dat zij jaren met het aanvragen van een langdurigheidstoeslag is bezig geweest, waardoor er spanning is ontstaan en haar gezondheid er onder heeft geleden. Het college heeft haar jarenlang van het kastje naar de muur gestuurd.

4.6.

Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Appellante heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van het onrechtmatige besluit sprake is geweest van als aantasting van haar persoon aan te merken geestelijk letsel, waaraan zij aanspraak op vergoeding van immateriële schade zou kunnen ontlenen. Volgens vaste rechtspraak is daarvoor onvoldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit (uitspraak van de Raad van 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216). Evenmin is aannemelijk gemaakt dat appellante in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek in haar eer of goede naam is geschaad of dat zich anderszins een situatie voordoet zoals in dit artikellid omschreven.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dat het verzoek om vergoeding van schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 51,54 en voor het overige wordt afgewezen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 15,92 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade toe tot een bedrag van € 51,54

en wijst dit voor het overige af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 15,92;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.E. Bon

HD