Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
15/5483 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand in verband met niet gemelde kasstortingen met onbekende bron.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5483 PW

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juni 2015, 15/631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Onwijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 juli 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft een medewerker van het team Inkomen, handhaving en diensten/2 van de gemeente Tilburg (medewerker) bij brief van

18 juli 2014 appellante verzocht om onder meer afschriften van een drietal bankrekeningen van appellante onderscheidenlijk haar kinderen in te leveren en aan de hand van aantoonbare en verifieerbare gegevens een verklaring te geven voor de in december 2013, februari 2014 en april 2014 op deze rekeningen verrichte kasstortingen tot een bedrag van in totaal € 3.200,-. Bij brief van 30 juli 2014 heeft appellante verklaard dat de gestorte bedragen afkomstig zijn van de kinderbijslag. Omdat de gevraagde onderbouwing van haar verklaring ontbrak, heeft de medewerker appellante bij brief van 31 juli 2014 verzocht om deze onderbouwing voor

14 augustus 2014 in te leveren. Appellante heeft aan dit verzoek niet voldaan.

1.3.

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college, voor zover van belang, de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2013 tot en met 30 april 2014 herzien (lees: ingetrokken). Bij besluit van 9 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de genoemde periode, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellante haar schriftelijke verklaring van 30 juli 2014 noch haar tijdens de hoorzitting afgelegde verklaring dat de kasstortingen afkomstig zijn van giften van haar familie, met enig bewijsstuk heeft onderbouwd. De bijstand is dan ook terecht ingetrokken over de maanden december 2013, februari 2014 en april 2014, omdat het recht op bijstand over die maanden niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Appellante heeft in beroep een verklaring overgelegd waarin wordt gesteld dat zij in oktober 2013, januari 2014 en april 2014 een bedrag van € 739,- aan kinderbijslag heeft ontvangen, in totaal derhalve € 2.217,-. Verder heeft appellante verklaard dat de stortingen bestaan uit een deel van de door haar ontvangen langdurigheidstoeslag van € 470,-, uit verjaardagsgeld en uit de spaarpot van de kinderen. De kinderbijslag die op haar bankrekening is gestort, heeft appellante deels gebruikt voor het aanschaffen van kleding en schoolboeken voor de kinderen. Appellante heeft haar verklaring over de kinderbijslag echter niet met stukken onderbouwd en het verschil tussen de ontvangen bedragen en gedane stortingen niet afdoende verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, aangevoerd dat zij een toereikende verklaring heeft gegeven voor de in geding zijnde kasstortingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt wat de herkomst is van de in de besluitvorming betrokken kasstortingen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verwezen wordt naar de in 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank waarmee de Raad zich verenigt. Ook in hoger beroep heeft appellante niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt wat de herkomst is van de in geding zijnde kasstortingen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A.M. Pasmans

HD