Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
15/5188 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5012, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft terecht geweigerd een dwangsom toe te kennen, omdat geen aanvraag is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5188 PW

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2015, 15/3671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2017. Namens appellant is verschenen mr. drs. ir. Maduro BA. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A. Karreman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 31 oktober 2014 tot 1 februari 2015 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een thuiswonende alleenstaande schoolverlater vanaf 21 jaar.

1.2.

Appellant heeft zich op 13 februari 2015 bij het Jongerenloket gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Na deze melding heeft het college appellant van 13 februari 2013 tot 26 maart 2013 een inspanningsperiode opgelegd. Een medewerker van het Jongerenloket van de gemeente Rotterdam heeft appellant in aansluiting op die periode uitgenodigd voor een gesprek op 31 maart 2015 voor een inspanningstoets. Appellant is niet op de afspraak verschenen. Vervolgens heeft de medewerker appellant uitgenodigd voor een gesprek op

9 april 2015 voor een inspanningstoets. Appellant is ook op die afspraak niet verschenen.

1.3.

Bij brief van 2 juni 2015 heeft appellant het college meegedeeld dat hij in februari 2015 een aanvraag om bijstand heeft gedaan, dat daarop nog geen reactie is gekomen en de gemeente (lees: het college) in gebreke gesteld.

1.4.

Appellant heeft op 17 juni 2015 beroep ingesteld tegen het niet beslissen op de aanvraag door het college.

1.5.

Het college heeft bij besluit van 26 juni 2015 meegedeeld dat hij appellant geen dwangsom is verschuldigd omdat geen aanvraag om bijstand door het college is ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit (lees: voor zover het gericht is tegen het niet nemen van een besluit) niet-ontvankelijk verklaard en, gelet op artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en uit een oogpunt van proceseconomie, het beroep voor zover het gericht is tegen het besluit van 26 juni 2015 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat in februari 2015 een aanvraag tot stand is gekomen en dat daarom ook niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het toekennen van een dwangsom.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert, gelet op wat ter zitting is besproken, aan dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat appellant ter zitting heeft bevestigd geen aanvraagformulier te hebben ontvangen. Appellant heeft geprobeerd te zeggen dat hij niet weet welke formulieren hij bij de gemeente heeft getekend. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de gemeente

(lees: het college) ten onrechte stelt dat waar in correspondentie met appellant 'aanvraag' staat 'melding' is bedoeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:1 van de Awb bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Artikel 43, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststelt.

Artikel 44 van de PW luidt:
1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen;

(…)

3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

4.2.

Uit artikel 43, eerste lid, van de PW in verbinding met artikel 4:1 van de Awb volgt dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan. Uit artikel 44 van de PW volgt voorts dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn.

4.3.

Ter zitting is namens het college toegelicht dat een aanvraagformulier pas wordt uitgereikt na het vervolggesprek in verband met de controle van de inspanningsperiode.

Vaststaat dat appellant op de afspraken van 31 maart 2015 en 9 april 2015, waarbij de controle van de inspanningsperiode zou plaatsvinden, niet is verschenen.

4.4.

Voorts heeft appellant ter zitting van de voorzieningenrechter expliciet bevestigd dat hij geen aanvraagformulier heeft gekregen.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dat appellant ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft geprobeerd te zeggen dat hij niet weet welke formulieren hij bij de gemeente heeft getekend, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Appellant heeft daarmee bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij wel een aanvraag heeft ingediend.

4.6.

Voor zover appellant heeft beoogd te betogen dat hij op grond van de correspondentie met het college erop mocht vertrouwen dat een aanvraag was ingediend, slaagt die grond niet.

4.7.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen slagen als door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Vaststaat dat het college in de brief van 23 maart 2015 aan appellant heeft geschreven “in verband met uw aanvraag” en in een e-mailbericht aan appellant van 9 april 2015 heeft geschreven “wordt uw aanvraag beëindigd”. Omdat appellant ter zitting van de voorzieningenrechter expliciet heeft bevestigd dat hij geen aanvraagformulier heeft ontvangen, kunnen reeds op die grond bij hem geen gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt.

4.8.

Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een aanvraag om bijstand heeft ingediend, is niet voldaan aan de eisen voor het toekennen van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Het college heeft dan ook terecht bij besluit van 26 juni 2015 geen dwangsom aan appellant toegekend.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) M. Hillen

(getekend) L.V. van Donk

HD