Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
16/638 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte afgewezen aanvragen op grond dat appellant opleiding kan volgen. Niet voldaan aan het advies dat appellant begeleiding nodig had. Onzorgvuldig genomen besluiten. Niet is gebleken van ondubbelzinnig niet mee willen werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 638 PW

Datum uitspraak: 14 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2015, 15/5740 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.P. van Nooijen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is geboren op [datum] 1992. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 2 juli 2014 heeft het college appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op bijstand indien hij regulier onderwijs kan volgen, dat de meeste opleidingen starten op 1 september 2014 en dat het college de bijstand daarom per 1 september 2014 zal beëindigen, tenzij appellant aantoont dat hij geen opleiding kan volgen.

1.2.

Appellant is niet per 1 september 2014 met een opleiding gestart. Bij besluit van 3 september 2014 heeft het college de bijstand per 1 september 2014 ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef, en sub c, van de WWB. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant heeft zich op 3 september 2014 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Bij de op 6 oktober 2014 ingediende aanvraag heeft appellant vermeld dat hij niet naar school kan. Ter onderbouwing heeft appellant een verklaring van een behandelaar van Stichting de Jutters overgelegd, waarin staat dat appellant in behandeling is geweest in verband met agressieproblematiek. Het college heeft vervolgens de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) verzocht om onderzoek te doen en advies uit te brengen.

1.4.

Bij brief van 24 november 2014 heeft een medisch adviseur van de GGD (adviseur) verslag gedaan van zijn onderzoek. De adviseur heeft vastgesteld dat appellant sinds zijn vroege jeugd bekend is met een psychische aandoening waardoor hij onder andere een beperking van de agressieregulatie heeft. Er is een vermoeden van een licht verstandelijke handicap. Appellant is bij herhaling behandeld bij de GGZ. Dit traject is onlangs weer afgesloten. Appellant is niet gemotiveerd scholing te volgen en wil liever een zelfstandige betaalde functie, bijvoorbeeld als koerier. De adviseur heeft geconcludeerd dat er geen medische reden is waarom appellant niet een opleiding zou kunnen volgen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan om uitval te voorkomen. Gezien de persoonlijkheidsproblematiek is de kans van slagen het grootst indien appellant een opleiding volgt waarbij sprake is van een persoonlijke benadering met duidelijke afspraken en structuur, bij voorkeur in een één op één setting met intensieve begeleiding.

1.5.

Bij besluit van 28 november 2014 heeft het college de aanvraag afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. In de aan dit besluit ten grondslag liggende rapportage van 25 november 2014 vermeldt de klantmanager dat belanghebbende, indien hij hieraan zou willen meewerken, vanuit Project JA de juiste begeleiding zou kunnen krijgen om uitval vanuit een opleiding te voorkomen. Voorts vermeldt de klantmanager dat appellant meerdere malen te kennen heeft gegeven niet naar school te willen en ook niet te willen meewerken aan toeleiding naar scholing. Tegen het besluit van 28 november 2014 heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.6.

Appellant heeft zich op 29 december 2014 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Bij de vervolgens op 27 januari 2015 ingediende aanvraag heeft appellant vermeld dat de opleiding die hij wil volgen pas start in september 2015. Daartoe heeft hij een verklaring van het ROC Leiden van 4 december 2014 overgelegd, waarin staat dat hij niet met ingang van januari 2015 maar eerst met ingang van 1 september 2015 de door hem gewenste opleiding kan starten.

1.7.

Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het college ook de aanvraag van 27 januari 2015 afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet kan aantonen dat hij zich sinds de melding van 29 december 2014 heeft ingespannen om zo snel mogelijk aan het werk te gaan of mogelijkheden te onderzoeken om een opleiding te volgen (artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet (PW). Daarnaast had appellant bij een tijdige inschrijving kunnen starten met een studie met een inkomen volgens de Wet Studiefinanciering (WSF) (artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW). Tegen dit besluit heeft appellant eveneens bezwaar gemaakt.

1.8.

Appellant heeft zich op 11 maart 2015 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Bij besluit van 6 mei 2015 heeft het college appellant vanaf die meldingsdatum bijstand ingevolge de PW toegekend. In de aan dit besluit ten grondslag liggende rapportage van 30 april 2015 vermeldt de behandelend klantmanager dat hij uitgebreide informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat appellant niet wordt toegelaten tot een reguliere BOL-opleiding en dat een BBL-opleiding niet zomaar te regelen is, zodat scholing op dat moment niet haalbaar is.

1.9.

Bij besluit van 24 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 28 november 2014 en 11 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De afwijzing van de aanvraag van 6 oktober 2014

4.1.

De te beoordelen periode loopt vanaf de datum van melding, 3 september 2014, tot en met de datum van de afwijzing van de aanvraag, 29 november 2014.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de brief van 2 juli 2014 niet heeft ontvangen, zodat de omstandigheid dat hij zich niet per 1 augustus 2014 heeft laten inschrijven voor een opleiding, voor risico van het college moet komen. Voorts was hij door persoonlijke omstandigheden niet in staat zich eerder voor een opleiding in te schrijven dan op 26 januari 2015.

4.2.1.

De beroepsgrond dat appellant de brief van 2 juli 2014 niet heeft ontvangen slaagt reeds niet nu uit die door appellant gestelde omstandigheid niet volgt dat het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB niet op hem van toepassing was. Immers, ook zonder de mededeling van het college was appellant als jongere, om in aanmerking te blijven komen voor bijstand, gehouden uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, voor zover hij dat kan. Appellant heeft voorts niet nader onderbouwd waarom zijn persoonlijke omstandigheden hem verhinderden zich vanaf 1 september 2014 in te schrijven voor enige opleiding. De beroepsgrond die daarop betrekking heeft slaagt daarom evenmin.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het, gelet op zijn psychische problemen (agressieproblematiek) en de door de adviseur vermelde voorwaarden om uitval te voorkomen, op de weg van het college had gelegen om hem te begeleiden naar het kunnen volgen van een passende opleiding. Appellant ontkent dat hij niet zou willen meewerken.

4.3.1.

Deze beroepsgrond slaagt in zoverre dat het college, gelet op het in 1.4 genoemde advies, niet zonder nader onderzoek tot afwijzing van de aanvraag kon overgaan. Het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW, dat gelijkluidend is aan hetzelfde artikelnummer in de WWB, zoals die tot 1 januari 2015 gold, biedt slechts een grond voor afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand indien vaststaat dat, voor zover thans van belang, dat de betrokkene onderwijs kan volgen. Uit het in 1.4 genoemde advies volgt dat appellant onderwijs slechts kan volgen indien wordt voldaan aan de vermelde voorwaarden om uitval te voorkomen. Het college heeft weliswaar in de rapportage van 25 november 2014 vermeld dat appellant vanuit project JA de juiste begeleiding zou kunnen krijgen, maar dit vormt onvoldoende grond voor afwijzing van de aanvraag, nu niet blijkt dat appellant de mogelijkheid had van die begeleiding gebruik te maken. Dit klemt te meer nu, zoals niet in geschil is, eerdere deelname van appellant aan dit project niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De in de rapportage vermelde omstandigheid dat appellant meerdere malen te kennen heeft gegeven dat hij niet naar school wil vormt evenmin voldoende grond voor afwijzing van de aanvraag. Niet is immers gebleken dat het college het advies van 24 november 2014 aan appellant heeft voorgelegd en dat appellant vervolgens heeft geweigerd onderwijs te volgen, als dat onderwijs voldoet aan de in het advies genoemde voorwaarden. Daar komt nog bij dat in de in 1.8 genoemde rapportage van 30 april 2015 is opgenomen dat bij het college uitgebreide informatie beschikbaar was, waaruit bleek dat appellant niet zou worden toegelaten tot een reguliere BOL-opleiding en dat een BBL-opleiding niet zomaar te regelen zou zijn, zodat scholing op dat moment niet haalbaar was.

4.3.2.

Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag van 3 september 2014, berust derhalve niet op een zorgvuldig onderzoek en ontbeert een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De afwijzing van de aanvraag van 27 januari 2015

4.4.

De te beoordelen periode loopt van de datum van melding, 29 december 2014, tot en met de datum van de afwijzing van de aanvraag, 11 februari 2015.

4.5.

Het college heeft de aanvraag mede afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW. Zoals het college ter zitting ook heeft erkend is er onvoldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat uit de houding en gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet wil nakomen, zodat deze grond het bestreden besluit niet kan dragen.

4.6.

Het college heeft de afwijzing van de aanvraag voorts gebaseerd op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW. Aan de afwijzing van de aanvraag van 27 januari 2015 kleeft hetzelfde gebrek als aan de afwijzing van de aanvraag van 6 oktober 2014, zodat het bestreden besluit, ook voor zover dit ziet op de afwijzing van de aanvraag van 27 januari 2015, op een ondeugdelijk onderzoek berust en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Vervolg

4.7.

Uit 4.3.2, 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.

4.8.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe is onvoldoende informatie voorhanden. De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus en zal het college opdracht geven om een nieuwe beslissing op de bezwaren tegen de besluiten van 28 november 2014 en 11 februari 2015 te nemen.

4.9.

Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in beroep en € 495,- in hoger beroep, in totaal € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2015 gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 juni 2015;

- bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op de bezwaren neemt met inachtneming van

wat in deze uitspraak is overwogen en dat tegen de nieuw te nemen beslissing op het

bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Smolders

HD