Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
16/28 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging. Toetsingskaders. Vaste rechtspraak. Minister heeft met rapport controleurs voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Oordeel rechtbank onderschreven. Uit rapport huisbezoek blijkt dat er in het geheel geen spullen van appellant zijn aangetroffen. Door gemeente 2e onderzoek verricht twee weken na 1e huisbezoek. Conclusie dat appellant wel woonachtig is op het brp-adres baat hem niet gelet op wijziging feitelijke situatie. Wettelijk vermoeden, maximale periode 12 maanden, boetebedrag aangepast. Geen verminderde verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/28 WSF

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2015, 15/1603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A. van de Grint, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van de Grint. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant staat vanaf 6 juni 2011 in – nu – de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres A] te [woonplaats 1] .

1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend, die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voor de jaren 2013 en 2014 voortgezet.

1.3.

Bij besluit van 19 december 2014 heeft de minister het recht op studiefinanciering herzien in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Een bedrag van € 7.023,72 is daarbij van hem teruggevorderd. Bij besluit van

21 januari 2015 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 3.411,97.

1.4.

Aan de herziening en boeteoplegging heeft de minister de bevindingen van een op

17 november 2014 verricht huisbezoek ten grondslag gelegd. Tijdens het huisbezoek zijn geen kleding of andere persoonlijke spullen van appellant aangetroffen. In de kledingkast op de kamer van appellant lag enkel kinderkleding en naast het bed lagen speelgoed, luiers en kindertekeningen. Ook kon de hoofdbewoner niet aangeven hoe lang appellant al bij hem woonde of welke studie appellant volgde.

1.5.

Het door appellant tegen de besluiten van 19 december 2014 en 21 januari 2015 gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de studiefinanciering terecht heeft herzien en aan appellant terecht een boete heeft opgelegd, omdat uit de bevindingen van het huisbezoek is gebleken dat appellant niet op het adres woonde waaronder hij op dat moment stond ingeschreven in de brp. De rechtbank heeft redengevend geacht dat in de woning in het geheel geen persoonlijke spullen van appellant zijn aangetroffen. Daarnaast kon de hoofdbewoner niet aangeven hoe lang appellant al bij hem woonde, welke studie appellant volgde en waar appellants studieboeken waren. In de als kamer van appellant getoonde kamer zijn kinderkleding, kindertekeningen, speelgoed en luiers aangetroffen. De stelling van appellant dat aan de verklaring van de hoofdbewoner geen waarde mag worden gehecht, omdat hij ernstig psychisch belast is en nauwelijks Nederlands spreekt, is door de rechtbank niet gevolgd. De bevindingen van een twee weken later – door de gemeente – uitgevoerd onderzoek kunnen evenmin afdoen aan de gedane waarnemingen tijdens het huisbezoek, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de bevindingen van het huisbezoek niet voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat hij ten tijde van het huisbezoek niet woonde op zijn brp-adres, zeker niet nu uit een door de gemeente verricht onderzoek is gebleken dat hij wel op het brp-adres woont. Aan de verklaring van de hoofdbewoner komt volgens appellant geen betekenis toe, omdat hij een psychische aandoening heeft. Appellant heeft verder nog gewezen op de in de woning aanwezige en op zijn naam gestelde poststukken en hij heeft getuigenverklaringen overgelegd waaraan de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft gehecht. Appellant is van mening dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten.

4.1.

Ten aanzien van de herziening en boeteoplegging overweegt de Raad als volgt. Willen een herziening en boeteoplegging als hier aan de orde in rechte stand kunnen houden, dan moet de minister in het kader van de herziening aannemelijk maken en in het kader van de boeteoplegging aantonen dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld. Voor de toetsingskaders verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877.

4.2.

De Raad is van oordeel dat de minister met het rapport van de controleurs heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De minister is erin geslaagd om aannemelijk te maken en aan te tonen dat appellant niet op het brp-adres woonde. In zoverre worden het oordeel van de rechtbank en de door haar daaraan ten grondslag gelegde overwegingen onderschreven.

4.3.1.

Aan de overwegingen van de rechtbank wordt, naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, nog het volgende toegevoegd. Appellant heeft ter zitting van de Raad gesteld dat er wel persoonlijke spullen in de woning aanwezig waren. Blijkens het rapport van het huisbezoek zijn er echter in het geheel geen spullen van appellant aangetroffen. Dat de controleurs aangetroffen spullen van appellant niet in het rapport zouden hebben vermeld, is niet aannemelijk. Appellant heeft ook aangevoerd dat niet mag worden afgegaan op de verklaring van de hoofdbewoner, omdat de hoofdbewoner nauwelijks Nederlands spreekt en psychisch beperkt is. Nu de controleurs op de slaapkamer van appellant en in de kledingkast op die kamer geen tot appellant te herleiden spullen hebben aangetroffen, bieden deze bevindingen op zichzelf – zelfs al zou aan de verklaring van de hoofdbewoner geen geloof worden gehecht – voldoende grondslag voor de conclusie van de minister dat appellant niet op het brp-adres woonachtig was.

4.3.2.

Waar appellant nog wijst op de overgelegde – aan hem geadresseerde – poststukken leidt dat niet tot een ander oordeel. Hieruit kan immers enkel worden afgeleid dat verschillende afzenders het brp-adres als postadres gebruiken. Daaruit blijkt niet de feitelijke bewoning van het brp-adres.

4.3.3.

Onweersproken staat vast dat de gemeente [woonplaats 1] , afdeling Burgerzaken, na het huisbezoek in het kader van de Wsf 2000 nogmaals een onderzoek heeft verricht, waaruit de conclusie is getrokken dat appellant wel woonachtig is op het adres waaronder hij in de brp staat ingeschreven. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de resultaten van dit onderzoek appellant niet kunnen baten. Het door de gemeente verrichte onderzoek heeft twee weken na het huisbezoek plaatsgevonden. Appellant heeft niet betwist dat de feitelijke situatie tijdens dat onderzoek anders was dan ten tijde van het huisbezoek. Na het huisbezoek is de woning verbouwd, is een tussenwand geplaatst en een nieuwe slaapkamer gecreëerd. De uitkomst van het onderzoek van de gemeente zegt mitsdien niets over de feitelijke situatie en de waarnemingen door de controleurs tijdens het huisbezoek.

4.4.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3.3 is overwogen, volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister op goede gronden de studiefinanciering van appellant per 1 januari 2012 heeft herzien en het te veel betaalde bedrag aan studiefinanciering van hem heeft teruggevorderd.

5.1.1.

De in deze zaak aan de orde zijnde boeteoplegging berust geheel op het aan artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 ontleende wettelijk vermoeden dat appellant in de gehele periode gelegen voor het huisbezoek (van 1 januari 2012 tot 17 november 2014) niet op het brp-adres heeft gewoond.

5.1.2.

Uit de eerdergenoemde uitspraak van 1 juni 2016 volgt dat bij de berekening van de hoogte van een boete als hier aan de orde gebruik kan worden gemaakt van een wettelijk vermoeden, zij het dat de werking van dit vermoeden bij een boeteoplegging in beginsel beperkt is tot een periode van maximaal 12 maanden voorafgaande aan en met inbegrip van de maand waarin de woonsituatie van de studerende is gecontroleerd. Gelet op deze beperking, de datum van het huisbezoek en de zogenoemde maandsystematiek van de Wsf 2000 werkt het wettelijk vermoeden in het geval van appellant terug tot 1 december 2013. Appellant heeft in bezwaar, noch in beroep, noch in hoger beroep bewijsstukken overgelegd die betrekking hebben op de periode vanaf 1 december 2013 en die redelijke twijfel wekken aan het gehanteerde wettelijk vermoeden.

5.2.

De minister heeft niet (met aanvullend bewijs) aangetoond dat appellant ook in de periode voorafgaande aan de hiervoor bedoelde periode van 12 maanden niet op het brp-adres woonde. Dit betekent dat die periode niet bij de berekening van de hoogte van de boete kan worden betrokken. Hieruit volgt dat de boete mag worden berekend met als grondslag het bedrag dat van appellant is teruggevorderd vanaf 1 december 2013.

5.3.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd, bevat geen feiten of omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Evenmin heeft appellant feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de boete om een andere reden voor hem te hoog zou zijn. Voor een matiging van de boete op deze gronden bestaat mitsdien geen aanleiding. Een boete van 50% van het bedrag dat appellant over de periode van 12 maanden na 1 december 2013 te veel heeft ontvangen (afgerond € 1.196,-) is passend en geboden. De Raad verwijst voor de berekening van het boetebedrag volledigheidshalve naar de eerdergenoemde uitspraak van

1 juni 2016 (rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.8 en 8.1 tot en met 8.4).

5.4.

Uit hetgeen in 5.1.1 tot en met 5.3 is overwogen, volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister appellant terecht een boete heeft opgelegd van € 3.411,97. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bedrag van de boete vaststellen op € 1.196,-.

5.5.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op het boetebesluit, moet worden vernietigd. De Raad zal, met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht, zelf voorzien als overwogen in 5.4. Uit 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak voor het overige kan worden bevestigd.

6. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze zijn begroot op € 2.475,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het hogerberoepschrift en 2 punten voor de zittingen).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze het boetebesluit betreft;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2015 gegrond voor zover dit ziet op het boetebesluit;

- vernietigt het besluit van 22 april 2015 voor zover de boete is gehandhaafd op

€ 3.411,97;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.196,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 22 april 2015;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.G.A.H. Toma

RH