Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
17/100 Wajong
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9582, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met behoud van de uitkering met zijn ouders naar België te verhuizen. Kortsluiting. De gedingstukken bieden geen steun voor het standpunt dat de gezondheid van de ouders van verzoeker dermate is verslechterd, dat zij de hulp van hun andere kinderen (woonachtig in België) nodig hebben om verzoeker te verzorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/100 Wajong, 17/101 Wajong-VV

Datum uitspraak: 14 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2016, 16/2011 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. D.D. Klieverik, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.E. Stout. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker ontvangt sinds 17 maart 2015 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong). Op 26 oktober 2015 heeft hij toestemming gevraagd om met behoud van de uitkering met zijn ouders naar België te verhuizen. Bij besluit van 27 januari 2016 is dit verzoek afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 16 februari 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

3.1.

In hoger beroep heeft verzoeker aangevoerd dat hij vanwege zijn ernstige lichamelijke en geestelijke beperkingen volledig afhankelijk is van zijn ouders. Zijn ouders zijn genoodzaakt naar België te verhuizen omdat daar de broers en zussen van verzoeker wonen. Nu de gezondheidstoestand van zijn ouders ernstig verslechtert, hebben de ouders de hulp van de in België verblijvende broers en zussen nodig. In Nederland is geen familie meer die mantelzorg kan verlenen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De voorzieningenrechter komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

Ter zitting heeft verzoeker de voorzieningenrechter uitdrukkelijk verzocht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en er is geen sprake van beletselen om dat te doen.

4.4.1.

Artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet Wajong, bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Verweerder kan dit zogeheten exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het exportverbod van de

Wajong-uitkering is uitgangspunt en de hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden.

4.4.2.

In het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Stcrt.

2 mei 2003, nr. 84, blz. 17 en gewijzigd bij Stcrt. 18 augustus 2010, nr. 12828, blz. 1; de Beleidsregels) is in artikel 2 bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig reïntegratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.4.3.

In de toelichting bij de Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent. In de toelichting op de Beleidsregels is verder bepaald dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en dus niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze.

4.5.

Vaststaat dat de situatie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a en b, van de Beleidsregels niet van toepassing is. In geding is de vraag of de ouders van verzoeker vanwege hun verslechterde gezondheid genoodzaakt zijn te verhuizen naar België.

4.6.1.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat de gedingstukken geen steun bieden voor het standpunt dat de gezondheid van de ouders van verzoeker dermate is verslechterd, dat zij de hulp van hun andere kinderen nodig hebben om verzoeker te verzorgen. In een brief van de huisarts van de moeder van verzoeker, gedateerd 23 februari 2016, staat een aantal diagnosen vermeld, waaronder voor het laatst in 2010 epilepsie en in juni 2014 boezemfibrilleren, zonder daarbij enige indicatie van de ernst van de klachten. Er zijn geen (recente) gegevens waaruit blijkt dat de moeder van verzoeker veelvuldig de huisarts heeft bezocht of bijvoorbeeld onder behandeling is van een specialist. De huisarts van de vader van verzoeker heeft in een brief van eveneens 23 februari 2016 melding gemaakt van de in 2015 gestelde diagnosen vitamine B12 deficiëntie, onychomycose, hematoom arm, rugpijn en hielspoor en van diarree in 2016. Tevens is hij bekend met diabetes, waarvoor hij blijkens een ongedateerde verklaring van de huisarts die in hoger beroep is ingebracht, viermaal per dag insuline spuit. Net als bij de moeder van verzoeker zijn van de vader van verzoeker geen gegevens in het dossier waaruit de ernst van de klachten is af te leiden en waaruit blijkt dat de medische situatie slecht is en steeds slechter wordt. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de ingebrachte gegevens niet kloppen en dat de situatie veel ernstiger is, is niet onderbouwd.

4.6.2.

Het is de voorzieningenrechter voorts niet gebleken dat er in Nederland geen anderen zijn die verzoeker, of zijn ouders, kunnen helpen. Het is een keuze van de ouders om geen hulp te vragen bij instanties die in dit soort gevallen hulp kunnen bieden. De wens van de ouders om dicht bij hun kinderen te wonen is begrijpelijk, maar er is geen sprake van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe.

5. Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) G.J. van Gendt

UM