Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
15/4675 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering. Voldoende gemotiveerd dat in de FML geen verdergaande beperkingen voor de lichamelijke klachten van appellant behoeven te worden opgenomen. Geen twijfel aan de medische geschiktheid van de uiteindelijk geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4675 WIA

Datum uitspraak: 17 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 mei 2015, 14/3137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, het beroep van een nadere toelichting voorzien en enkele stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en voorts bij brief van 22 november 2016 het rapport van 21 november 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft het Uwv zijn besluit van 19 december 2012 gehandhaafd, waarbij aan appellant met ingang van 29 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend. Bij besluit van 22 juli 2013 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 16 oktober 2013 eindigt en hij per die datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering.

1.2.

Appellant heeft het Uwv bij brief van 21 augustus 2013 meegedeeld dat zijn gezondheid verslechtert. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 oktober 2013 vastgesteld dat appellant onveranderd recht heeft op een

WGA-vervolguitkering op basis van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.

1.3.

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2013 ongegrond verklaard. Aan deze beslissing liggen de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 maart 2014 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 maart 2014 ten grondslag.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 maart 2014. Na onderzoek ter zitting op 14 januari 2015 heeft de rechtbank het Uwv verzocht om een nadere toelichting en partijen in de gelegenheid gesteld nadere reacties in te zenden.

2.2.

Ter vervanging van het besluit van 27 maart 2014 heeft het Uwv vervolgens het besluit van 17 februari 2015 (bestreden besluit) ingezonden, waarbij aan appellant met ingang van

1 november 2013 een WGA-vervolguitkering is toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Aan deze beslissing liggen onder meer de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 februari 2015 en 12 februari 2015 ten grondslag. Op basis van de gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 februari 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 9 februari 2015 de belastbaarheid van appellant berekend op 60,21%.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 27 maart 2014, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 maart 2014 niet ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien voor een proceskostenvergoeding. Er is geen sprake geweest van beroepsmatig verleende bijstand en appellant heeft niet gesteld andere kosten te hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

2.4.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat zij bij het vastleggen van de beperkingen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat de medische belastbaarheid op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Dat appellant verdergaand beperkt moet worden geacht dan door het Uwv uiteindelijk is aangenomen, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de verzekeringsartsen voldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom er medisch gezien geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de belasting in de uiteindelijk geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarin is geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en de belastbaarheid van appellant op de juiste wijze is vastgesteld. Zijn klachten aan rug, knieën, handen, ellebogen en schouders zijn verergerd en ook zijn psychische klachten zijn onvoldoende meegenomen bij het vaststellen van zijn beperkingen. Ter ondersteuning van het betoog van appellant heeft zijn gemachtigde enkele medische stukken ingezonden.

3.2.

Bij brief van 22 november 2016 heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 november 2016 ingezonden en het verzoek tot bevestiging van de aangevallen uitspraak gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellant in beroep ingediende gronden niet tot het oordeel kunnen leiden dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts(bezwaar en beroep) van het Uwv onzorgvuldig is te achten en het oordeel over de voor appellant geldende beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 februari 2015 en geldig geacht vanaf 21 augustus 2013, voor het verrichten van arbeid voor onjuist te houden. Het Uwv heeft in de beoordeling in voldoende mate rekening gehouden met de opmerkingen van de rechtbank na de schorsing ter zitting van 14 januari 2015.

4.2.

Bij de beoordeling die heeft geleid tot het bestreden besluit zijn de klachten en aandoeningen van appellant betrokken. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 21 november 2016 vastgesteld dat de in hoger beroep overgelegde medische gegevens voor een deel betrekking hebben op 2016, dus ruim na de datum in geding

21 augustus 2013. De overige stukken heeft hij als volgt meegewogen.

4.2.1.

In verband met de ingezonden medische gegevens die betrekking hebben op de rug-, schouder- en knieklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep benadrukt dat in de bezwaarfase medische informatie is opgevraagd. Er was in 2013 na behandeling door het pijnteam sprake van aspecifieke pijnklachten bij bekende degeneratieve afwijkingen van de CWK en LWK en van de linker schouder. De in hoger beroep ingezonden gegevens over de afwijkingen in de CWK passen hierbij en leiden niet tot een andere beoordeling met ingang van de datum in geding. Ten aanzien van de rugklachten worden in alle stukken degeneratieve afwijkingen genoemd, met enige progressie in de loop van de jaren. De gegevens van 2013 waren al bekend en zijn meegewogen bij de beoordeling in bezwaar. Duidelijk is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er in de loop van de jaren op röntgenfoto’s en

MRI-scans enige progressie is waar te nemen van degeneratieve afwijkingen (discopathie) aan CWK en het myelum, en aan de LWK. Dit heeft niet geleid tot andere behandelingen dan al in de voorgaande rapporten en onderliggende medische stukken werden beschreven. Er was geen aanleiding tot het aannemen van meer beperkingen in de FML. Voor de knieklachten zijn in 2013 en 2016 lichte afwijkingen aan de knieschijf links (patella) vastgesteld als niet eerder bekend feit, zonder verdere afwijkingen aan de botten. Dit heeft geen consequenties voor de belastbaarheid van de knieën, anders dan al werd aangegeven in bezwaar en later in beroep. Hiermee is voldoende gemotiveerd dat in de FML van 4 februari 2015 geen verdergaande beperkingen voor de lichamelijke klachten van appellant behoeven te worden opgenomen.

4.2.2.

In de in hoger beroep ingezonden brief van psychiater M. ter Meulen van 16 juni 2016 is vermeld dat met behandeling is begonnen om te komen tot vermindering van impulsiviteit en regulering van agressie- en trauma gerelateerde klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt op dat juist wegens de bekende problemen met agressieregulatie in bezwaar een beperking voor conflicthantering werd opgenomen. Uit de informatie uit 2016 kan niet worden afgeleid dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met de psychische klachten, die bovendien eerst in de bezwaarfase naar voren werden gebracht. Ook de geheugenstoornissen die door appellant nu als beperking worden genoemd spelen pas in 2016, dus ruim na de datum in geding.

4.3.

Aldus uitgaande van de juistheid van de FML van 4 februari 2015 zijn er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische geschiktheid van de voor appellant uiteindelijk geselecteerde functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur
(SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten)
(SBC-code 111180) en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093).

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) N. van Rooijen

RB