Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
15/4476 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat betreft aangevallen uitspraak 1 worden de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank volledig onderschreven en overgenomen. Wat betreft aangevallen uitspraak 2 geen aanknopingspunten voor twijfel aan door Uwv gevolgde conclusie dat appellante vanaf 2 juni 2012 geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt. Betreffende aangevallen uitspraak 3 zijn in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht om tot ander oordeel te komen dan rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4476 WIA, 15/4477 ZW, 16/2070 ZW

Datum uitspraak: 8 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

15 juni 2015, 14/3349 (aangevallen uitspraak 1) en 14/3650 (aangevallen uitspraak 2) en van 24 februari 2016, 15/6240 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 december 2016 waarbij de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Strijbosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als [naam functie] voor 20 uur per week. Vanuit de situatie waarin zij een uitkering ingevolge de Werkeloosheidswet ontving, heeft appellante zich op 4 juni 2012 ziek gemeld wegens psychische klachten. Bij besluit van

31 augustus 2012 heeft het Uwv na beoordeling door een arbeidsdeskundige met ingang van

3 september 2012 recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). In dat kader heeft appellante meerdere keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Naar aanleiding van haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 2 april 2014 door een arts van het Uwv gezien. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante volledig geschikt wordt geacht voor haar maatgevende werkzaamheden.

1.2.

Bij besluit van 23 mei 2014 is de ZW-uitkering van appellante met ingang van

26 mei 2014 beëindigd, omdat zij per die datum geschikt wordt geacht om haar arbeid te verrichten. Bij besluit van 26 mei 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 2 juni 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij vanaf 26 mei 2014 weer haar eigen werkzaamheden kan verrichten. Aan deze besluiten zijn rapporten van een arts van het Uwv van 28 april 2014 en van een arbeidsdeskundige van 26 mei 2014 ten grondslag gelegd. Bij brief van 13 juni 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van

26 mei 2014. Bij aanvullend bezwaar van 21 augustus 2014 heeft appellante te kennen gegeven dat haar bezwaar ook gericht moet worden geacht tegen het besluit van 23 mei 2014. Bij besluit van 27 augustus 2014 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van

23 mei 2014 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Bij besluit van 7 oktober 2014 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van

26 mei 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van eveneens 7 oktober 2014 ten grondslag gelegd.

1.3.

Appellante heeft zich op 17 juli 2014 opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van

15 augustus 2014 is haar – onder voorbehoud – met ingang van 18 augustus 2014 een voorschot ziekengeld toegekend. Op 1 november 2014 is de betaling van dit voorschot geschorst. In het kader van een eerstejaars ziektewetbeoordeling is een rapportage ZW van

1 juni 2015 na een spreekuur – onderzoek op 26 mei 2011 – geconcludeerd dat appellante per datum ziekmelding op 17 juli 2014 geschikt is voor het eigen werk, omdat geen toename van beperkingen kan worden vastgesteld ten aanzien van de medische beoordeling in het kader van de Wet WIA in mei 2014. In navolging hiervan is appellante bij besluit van

1 juni 2015 met ingang van 17 juli 2014 geschikt geacht voor haar arbeid. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit 3) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 oktober 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2.1.

In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 mei 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat het niet in persoon aan appellante uitreiken van dat besluit geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding oplevert.

2.2.

Volgens de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden, en heeft de arbeidsdeskundige de in de maatgevende arbeid voorkomende belasting onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd de door appellante ingebrachte medische gegevens besproken en geen reden gezien om appellante meer beperkt te achten. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen en is van oordeel dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per einde wachttijd geschikt is voor haar maatgevende arbeid en zij daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering.

2.3.

Ook in aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 17 juli 2014 geschikt is voor haar eigen werk. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 oktober 2015 heeft geconcludeerd dat op 17 juli 2014 de problematiek, de behandeling, de bevindingen en de klachten van appellante onveranderd zijn aan de beschrijving ten tijde van de WIA-beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij kenbaar de informatie van de huisarts en van de behandelend psycholoog betrokken.

3.1.

In de hoger beroepen heeft appellante de gronden in bezwaar en beroep opnieuw naar voren gebracht. Zij heeft – samengevat – het standpunt ingenomen dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat en onvoldoende rekening is gehouden met de bevindingen van haar behandelend psycholoog zoals neergelegd in de brief van 4 december 2014. Volgens appellante zijn die bevindingen reden om haar door een onafhankelijk deskundige te laten onderzoeken. Ook heeft appellante naar voren gebracht dat het Uwv over het bestaan van ziekteverzuimrisico ten onrechte geen duidelijk standpunt heeft ingenomen. Tot slot is appellante het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat aan het te laat nemen van het primaire besluit van 1 juni 2015 geen consequenties worden verbonden.

3.2.

In zijn verweerschriften heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

De overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank worden volledig onderschreven en overgenomen. In hoger beroep heeft appellante slechts gewezen op wat door en/of namens haar in de eerdere procedures is aangevoerd. Nu dat een herhaling vormt van de door haar eerder naar voren gebrachte gronden, en de rechtbank die gronden volledig heeft weerlegd, wordt daarin geen aanknopingspunt gezien om tot een andersluidend oordeel dan de rechtbank te komen.

Aangevallen uitspraak 2

4.2.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA kon de verzekerde aanspraak maken op een WIA-uitkering nadat hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Terecht heeft de rechtbank gewezen op vaste rechtspraak dat aan het ontbreken van aanspraak op ziekengeld geen zelfstandige betekenis mag worden toegekend bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA of een verzekerde de wachttijd van 104 weken heeft vervuld. De vraag of de wachttijd is vervuld vereist een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3454).

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met zijn rapport van 7 oktober 2014 nader onderzoek verricht naar de vraag of appellante de wachttijd van 104 weken heeft volbracht. Daartoe is dossieronderzoek verricht met daarin brieven van GGZ en de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat de primaire verzekeringsarts in zijn rapport van 28 april 2014 over de anamnese en psychisch/cognitief onderzoek uitgebreid heeft gedocumenteerd over de aanwezige psychische klachten en bovendien rekening heeft gehouden met beperkingen op psychisch belastende factoren. Over het geneesmiddelengebruik heeft de verzekeringsarts gemotiveerd vermeld dat er geen reden is om appellante met betrekking tot het onderdeel alertheid (persoonlijk risico) beperkt te achten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen te handhaven met ingang van de datum van zijn onderzoek. Bovendien heeft de arbeidsdeskundige een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek verricht naar de geschiktheid van appellante voor haar maatgevende werk. Daarbij heeft hij ook overleg gevoerd met de primaire verzekeringsarts inzake het medicijngebruik van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat er geen argumenten zijn om te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de maatgevende arbeid.

4.4.

Het dossier en wat appellante ter zitting naar voren heeft gebracht, bieden geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv gevolgde conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante vanaf 2 juni 2012 geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. In de brieven van GGZ is duidelijk vermeld dat bij appellante vooral sprake is van problematische sociale en financiële omstandigheden waar zij geen raad mee weet en die niet te beïnvloeden zijn. Voor GGZ is dat – zo blijkt uit de brief van 6 augustus 2013 – ook de reden geweest om de behandeling van appellante te staken en haar ondanks verwijzing van de huisarts niet meer in behandeling te nemen. Het door appellante bij brief van 22 december 2014 ingebrachte bijgewerkte huisartsenjournaal laat geen ander beeld zien. Voor de opvatting van de behandelend psycholoog – in haar brief van 4 december 2014 – dat appellante nog niet in staat is om continue arbeid te verrichten vanwege regelmatige uitval, slechte concentratie en geheugenfuncties, oververmoeidheid, slaapproblematiek en somberheid, wordt verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 januari 2015. Die verzekeringsarts heeft vermeld dat de psycholoog weinig feitelijke medische en psychologische onderzoeksbevindingen weergeeft waardoor er geen reden is om het eerdere ingenomen verzekeringsgeneeskundige standpunt niet te handhaven. Bovendien betreft de maatgevende arbeid een functie van 20 uur en is in die zin geen sprake van continue arbeid verrichten. Gelet hierop wordt er geen reden gezien om een onafhankelijk deskundige in te schakelen, zoals door appellante is verzocht.

4.5.

Het standpunt van appellante dat het Uwv ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan eventueel aanwezig excessief ziekteverzuimrisico, wordt niet gevolgd. In vaste rechtspraak is neergelegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1352) dat een betrokkene daartoe concrete en op het individu toegesneden, medische informatie moet inbrengen ter onderbouwing van dat standpunt. Appellante heeft dat nagelaten.

Aangevallen uitspraak 3

4.6.

Inzake de handhaving van de weigering van het Uwv om appellante met ingang van

17 juli 2014 recht op ziekengeld toe te kennen, wordt – evenals de rechtbank – overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle dossiergegevens bestudeerd en appellante op de hoorzitting en het spreekuur gezien. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in 4.4 genoemde gegevens van de psycholoog en huisarts bij zijn beoordeling betrokken. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

4.7.

De rechtbank heeft terecht geen consequenties verbonden aan de late besluitvorming van het Uwv. Verwezen wordt naar de uitspraak van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4270) waaruit blijkt dat van beëindiging van ziekengeld met terugwerkende kracht geen sprake is wanneer – zoals in geval van appellante – de betrokkene door het Uwv niet voor de ZW is geaccepteerd en evenmin ziekengeld is uitgekeerd.

5. Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen moet worden geconcludeerd dat de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 moeten worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J.S. van der Kolk en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) G.J. van Gendt

GdJ