Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
16/3997 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Ontslag: primair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair wegens onverenigbaarheid van karakters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3997 AW

Datum uitspraak: 16 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 mei 2016, 15/7766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Waternet (het bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F. Adolf hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. P.A.S. Andela een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Adolf. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Andela, ir. J. Bos en G.J. van Perse.

OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de Stichting Waternet. In de beoordelingen van appellant over 2011 en 2012 zijn de competenties ‘samenwerken’ en ‘communicatief’ beoordeeld met een D, ‘ontwikkeling noodzakelijk’. Kritiekpunten zijn dat appellant niet oordeelsvrij kan luisteren, geen onderscheid kan maken tussen zaak en persoon, zijn eigen mening doordrijft in overlegsituaties en ongenuanceerde kritiek geeft. Nadat tussen appellant en zijn toenmalige teamleider P een conflict was ontstaan en een mediationtraject was mislukt, is appellant per 1 april 2012 onder een andere teamleider, vP, geplaatst.

1.2.

Appellant heeft een verbetertraject gevolgd om de competenties ‘samenwerken’ en ‘communicatief’ te verbeteren. Dit leidde tot de gewenste verbetering en in de beoordeling van appellant over 2013 heeft vP deze competenties beoordeeld met een C, ‘goed’.

1.3.

Medio 2014 is appellant opnieuw aangesproken op zijn negatieve houding en gedrag, met name tegenover zijn leidinggevende. Op 7 augustus 2014 heeft appellant zich ziek gemeld. Volgens de bedrijfsarts was sprake van spanningsklachten als gevolg van een autoriteitsconflict tussen appellant, die bekend staat als een betrokken werknemer, en de als aimabel bekend staande leidinggevende vP. Appellant heeft begeleiding van een coach gekregen om zijn communicatie verbeteren. Appellant heeft het voorstel om het coachingstraject af te ronden met mediation tussen hem en zijn leidinggevende begin

oktober 2014 afgewezen. In januari 2015 heeft appellant te kennen gegeven wel open te staan voor mediation, mits daaraan geen voorwaarden vooraf worden verbonden.

1.4.

Bij besluit van 28 april 2015 (beoordelingsbesluit) heeft het bestuur de op 11 februari 2015 opgemaakte beoordeling over 2014 met enkele wijzigingen vastgesteld. De resultaatgebieden 1, administratieve afhandeling, toezicht en handhaving, en 2, toezicht Waterwet, zijn beoordeeld met een D. De competenties samenwerken, resultaatgericht en communicatief zijn beoordeeld met een E, ‘onvoldoende’.

1.5.

Na daartoe een voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het bestuur appellant bij besluit van 9 juni 2015(ontslagbesluit) met ingang van 1 september 2015 ontslag verleend. Het ontslag is primair verleend met toepassing van artikel 8.1.6. van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair met toepassing van artikel 8.1.8 van de SAW wegens onverenigbaarheid van karakters.

1.6.

Bij besluit van 26 oktober 2015 (bestreden besluit)heeft het bestuur de bezwaren tegen het beoordelingsbesluit en het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

Over de beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat het bestuur de negatieve scores van appellant in het beoordelingsbesluit van 28 april 2015 aannemelijk heeft gemaakt. Gezien de vele gesprekken met appellant over zijn houding en gedrag en de beoordelingen over de jaren 2011 en 2012 wist appellant concreet wat er voor de competenties samenwerken en communicatief van hem werd verwacht. Hem is voldoende gelegenheid geboden om zijn gedrag en houding te veranderen. De rechtbank volgt appellant niet in zijn betoog dat het oordeel over die competenties uitsluitend betrekking heeft op de verstoorde verstandhouding met vP, die daarom geen objectieve beoordeling heeft kunnen geven. Het bestuur heeft ook de score D (lees E) op de competentie resultaatgericht en de score D op de resultaatgebieden

1 en 5 (lees 2) voldoende aannemelijk gemaakt. Appellant heeft immers de achterstand in de controles en het te laat versturen van brieven niet betwist. De ziekmelding van appellant, waardoor hij de achterstanden niet meer kon inlopen, maakt niet dat de scores op die punten met een voldoende moeten worden beoordeeld.

2.3.

Over het ontslag heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier voldoende concrete gedragingen blijken op grond waarvan het bestuur tot de conclusie mocht komen dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. Vanaf 2011 zijn vele gesprekken met appellant gevoerd, afspraken gemaakt en beoordelingen opgemaakt die telkens het beeld laten zien van een medewerker die zich niet laat bijsturen en die onvoldoende inzicht heeft in het effect dat zijn handelen op anderen heeft. Appellant lijkt niet te begrijpen dat hij door zijn manier van doen geen ruimte laat voor de inbreng van anderen en dat zijn starre houding niet bijdraagt aan een constructieve samenwerking met zijn teamleider en collega’s. De rechtbank heeft enkele reacties van appellant geciteerd die erop neerkomen dat hij gelijk wil hebben omdat hij vindt dat hij het gelijk aan zijn zijde heeft. Een verbetertraject heeft niet het gewenste resultaat gehad. Anders dan appellant heeft gesteld, ziet de kritiek op de communicatie en samenwerking niet alleen op de verstandhouding tussen appellant en vP. Ook onder teamleider P in 2011 waren samenwerken en communicatie al een punt van aandacht, waren juist de samenwerking en communicatie met collega’s en een klacht van een trainer aanleiding voor vP om te trachten het gedrag van appellant te (laten) veranderen en is ook het naar behoren kunnen samenwerken en communiceren met de teamleider onderdeel van de functie van appellant. Dat appellant in 2014 zelf een verbeterplan moest opstellen, mocht van hem worden verwacht en staat de rechtsgeldigheid van het ontslag niet in de weg. Appellant is vanaf 2011 op zijn houding en gedrag aangesproken en het bestuur heeft zich op adequate wijze ingespannen om hem de kans te geven beter te functioneren.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

Beoordeling

3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905. Niet doorslaggevend is of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

3.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij brieven soms later verstuurde in overleg met het management omdat het gevoelige zaken betrof en dat hij door zijn arbeidsongeschiktheid sinds 7 augustus 2014 achterstanden niet heeft kunnen wegwerken en geen actieplan heeft kunnen maken.

3.3.

Deze beroepsgronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat de beoordeling niet op voldoende gronden berust. Hierbij is mede van belang dat bij het opmaken van een beoordeling een slechte gezondheidssituatie van de ambtenaar niet kan leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Verder is, gelet op het gegeven dat in de beoordeling ook aandacht is besteed aan positieve aspecten en gezien de positieve beoordeling over 2013, een niet objectieve opstelling van de teamleider bij het opmaken van de beoordeling niet aannemelijk.

Ontslag

3.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de ongeschiktheid voor de functie zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1548.

3.5.

Onder verwijzing naar de daarover in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waaronder de citaten van de woorden van appellant zelf, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat appellant gelet op zijn houding en gedrag ongeschikt is voor zijn functie. Vanaf 2011 heeft appellant ruimschoots de gelegenheid gehad om zijn houding en gedrag te verbeteren. In 2013 leek hem dit te zijn gelukt, maar in de woorden van appellant zelf heeft hij zich dat jaar “zeer nederig en terughoudend opgesteld en niet meer deelgenomen aan discussies tijdens overleggen”. Het gegeven dat appellant zelf niet inziet dat gedragsverandering nodig is, staat blijvende verbetering van zijn houding en gedrag in de weg. Verder is appellant, anders dan hij heeft gesteld, voldoende ondersteuning aangeboden bij het opstellen van een verbeterplan.

3.6.

Nu het medisch onderzoek door de bedrijfsarts geen aanwijzing oplevert voor de conclusie dat de ongeschiktheid van appellant voortvloeit uit ziekte of gebrek, was het bestuur bevoegd tot het verlenen van ontslag en heeft het bestuur in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

3.7.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD