Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
14/3088 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2881, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten en WSNP. Ten onrechte herziening en intrekking. Onvoldoende gemotiveerd dat appellante over inkomsten uit werkzaamheden heeft kunnen beschikken in verband met wettelijke schuldsaneringsregeling. Heffingskortingen kunnen alleen in mindering worden gebracht voor zover deze boven vrij te laten bedrag (door rechter-commissaris) vastgesteld) liggen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 32
Wet werk en bijstand 54
Faillissementswet
Faillissementswet 20
Faillissementswet 21
Faillissementswet 295
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0080
USZ 2017/133 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
NJB 2017/499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 3088 WWB

Datum uitspraak: 14 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 april 2014, 13/2711 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hüsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Appellante heeft nogmaals nadere stukken ingediend.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hüsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op 5 augustus 2008 in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is op 15 juli 2010 omgezet in een wettelijke schuldsanering.

1.2.

Appellante ontving in de periode van 28 januari 2010 tot 1 oktober 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij verrichtte ten tijde hier van belang werkzaamheden voor [naam B.V.] In verband met deze werkzaamheden werd de bijstand van appellante met een vast bedrag per maand gekort. Het college heeft de bijstand van appellante met ingang van

1 oktober 2012 beëindigd omdat appellante hogere inkomsten dan de voor haar van toepassing zijnde norm genoot. Omdat vervolgens uit Suwinet bleek dat de inkomsten van appellante over de periode van 1 november 2011 tot en met 30 september 2012 afweken van de vaste inkomstenkorting, is een medewerker van de afdeling Werkplein Alexanderplein van de gemeente Rotterdam een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

11 december 2012.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

19 december 2012 (besluit 1) de bijstand van appellante te herzien over de periode van

1 november 2011 tot en met 30 september 2012 en de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.528,73 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij tot een hoger bedrag aan inkomsten genoot dan het bedrag dat maandelijks in mindering werd gebracht op de bijstand.

1.4.

Bij besluit van 1 januari 2013 (besluit 2) heeft het college het bedrag van de op dat moment nog openstaande vordering over 2012 gebruteerd en verhoogd met een bedrag van

€ 642,71.

1.5.

Bij besluit van 10 januari 2013 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.382,72 van appellante teruggevorderd. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellante over deze periode recht had op een alleenstaande ouderkorting en een aanvullende alleenstaande ouderkorting (heffingskortingen). De heffingskortingen waarover appellante had kunnen beschikken, als zij die had aangevraagd, heeft het college bij besluit 3 in mindering gebracht op de bijstand, voor zover dit niet al eerder was gebeurd.

1.6.

Het college heeft het tegen de besluiten 1, 2 en 3 gerichte bezwaar bij besluit van

19 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.7.

Bij tussenuitspraak van 5 december 2013 heeft de rechtbank vastgesteld dat aan het bestreden besluit motiveringsgebreken kleven en het college een termijn van zes weken gegeven om de geconstateerde gebreken te herstellen.

1.8.

Bij brief van 3 januari 2014 heeft het college, ter uitvoering van de tussenuitspraak, een nadere onderbouwing gegeven van het bestreden besluit. Appellante heeft vervolgens een zienswijze ingediend, waarna partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de ingangsdatum van de herziening wegens niet verrekende heffingskortingen vastgesteld op 28 januari 2010 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe - verkort weergegeven en voor zover hier van belang - overwogen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de hoogte van haar inkomsten niet te melden aan het college. Het college was in zoverre bevoegd de bijstand te herzien en de kosten van bijstand terug te vorderen. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot bruteren van de vordering over de maanden november en december 2011, nu deze vordering door toedoen van appellante is ontstaan. Met betrekking tot de heffingskortingen heeft de rechtbank overwogen dat het college bij de toekenning van de bijstand in 2010 al wist dat appellante hierop aanspraak kon maken. In afwachting van een beschikking van de Belastingdienst heeft het college vanaf 2011 een deel van de heffingskortingen verrekend met de bijstandsuitkering van appellante. De herziening en de terugvordering bij besluit 3 zien op dat deel van de heffingskortingen dat nog niet is verrekend. Dat in verband met de heffingskortingen tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, is naar het oordeel van de rechtbank niet het gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting van appellante. Appellante kreeg echter wel tot een te hoog bedrag aan bijstand en kon dat redelijkerwijs ook begrijpen. Ook in zoverre kon het college daarom overgaan tot herziening en terugvordering.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Zij voert daartoe, kort gezegd, aan dat zij, doordat zij in staat van faillissement verkeerde en per 15 juli 2010 de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing was verklaard, redelijkerwijs niet over de inkomsten en de heffingskortingen kon beschikken. Appellante voert, evenals in beroep, voorts aan dat het college niet tot brutering mocht overgaan van de in 2011 nog openstaande vordering en doet tot slot met betrekking tot de heffingskortingen een beroep op de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Beschikken

4.1.

Met betrekking tot de vraag of appellante gedurende haar faillissement respectievelijk de schuldsaneringsregeling over de uit arbeid verkregen inkomsten en de heffingskortingen - als zij die zou hebben aangevraagd - kon beschikken, is het volgende van belang.

4.1.1.

Op grond van artikel 20 van de Faillissementswet (Fw) omvat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede wat hij gedurende het faillissement verwerft.

4.1.2.

Op grond van artikel 21, aanhef en onder 2, van de Fw blijft echter buiten het faillissement wat de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid, of als bezoldiging wegens een ambt of bediening, of als soldij, gagement, pensioen of onderstand, gedurende het faillissement verkrijgt, indien en voor zover de rechter-commissaris zulks bepaalt.

4.1.3.

In artikel 295, eerste lid, van de Fw is met betrekking tot de schuldsanering bepaald dat de boedel de goederen omvat van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt.

4.1.4.

In artikel 295, tweede lid, van de Fw is echter bepaald dat van het inkomen dat de schuldenaar verkrijgt slechts buiten de boedel wordt gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.2.

Uit 4.1.2 en 4.1.4 volgt dat, anders dan appellante heeft aangevoerd, het faillissement en de toepassing van de schuldsaneringsregeling op zichzelf niet inhouden dat de failliet, dan wel de saniet, niet langer over de door hem genoten inkomsten kan beschikken. In het geval van een faillissement houdt de failliet immers de beschikking over het door de rechter-commissaris vrij te laten bedrag en gedurende het schuldsaneringstraject behoudt de saniet de beschikking over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet. Hierna zal worden beoordeeld wat dit betekent voor de door appellante gedurende het faillissement en de schuldsaneringsregeling genoten inkomsten.

4.3.

Het besluit tot herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.1.

Het bestreden besluit ziet, wat besluit 1 betreft, op inkomsten uit arbeid die appellante heeft genoten boven het bedrag van de vaste inkomstenkorting die het college toepaste. Dit betreft de periode van 1 november 2011 tot en met 30 september 2012. In die periode was de schuldsaneringsregeling van toepassing. Het ligt, gelet op 4.3, op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellante in de periode van 1 november 2011 tot en met

30 september 2012 over de in 1.2 bedoelde inkomsten heeft kunnen beschikken.

4.4.2.

Uit de verslagen van de bewindvoerder van 19 augustus 2011, 16 februari 2012, 22 augustus 2012 en 21 februari 2013 blijkt dat de door appellante in een maand genoten inkomsten telkens uitkwamen op een bedrag dat lag onder een voor die maand door de bewindvoerder vrijgelaten bedrag. In die verslagen staat onder het kopje 'het vrij te laten bedrag, aflossingscapaciteit en boedelrekening' bij de hoogte van het vrij te laten bedrag: "Saniet geniet inkomen gelijk aan of onder de bijstandsnorm. Het gehele inkomen vervalt derhalve (behoudens de verplichte boedelbijdrage) aan saniet." Appellante heeft gelet hierop in ieder geval over het grootste deel van de door haar genoten inkomsten kunnen beschikken. Op basis van de stukken kan echter niet worden vastgesteld of zij daarmee over alle door haar genoten inkomsten als bedoeld in 1.2 heeft kunnen beschikken. Uit het weergegeven citaat volgt dat de bewindvoerder op de inkomsten de verplichte boedelbijdrage in mindering heeft gebracht. Als deze boedelbijdrage op de onder 1.2 bedoelde inkomsten in mindering is gebracht, heeft appellante over een bedrag ter hoogte van die boedelbijdrage niet over de onder 1.2 bedoelde inkomsten kunnen beschikken. Op basis van de beschikbare stukken bestaat daarover echter geen duidelijkheid. Bij de stukken bevindt zich namelijk ook een overzicht '[overzichtsnaam]' waarop vermeld staat dat conform afspraken met appellante een belastingteruggave van € 1.478,- wordt verrekend met boedelbijdragen. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de maandelijkse boedelbijdrage mogelijk is voldaan uit andere inkomsten, namelijk de belastingteruggave, dan de inkomsten als bedoeld in 1.2. In dat geval heeft appellante over alle door haar genoten inkomsten als bedoeld in 1.2 kunnen beschikken.

4.4.3.

Uit 4.4.2 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden vastgesteld of appellante over alle door haar genoten inkomsten als bedoeld in 1.2 heeft kunnen beschikken. Onduidelijk is of de bewindvoerder de verplichte boedelbijdrage in mindering heeft gebracht op de door appellante genoten inkomsten als bedoeld in 1.2. Het college had op dit punt nader onderzoek moeten doen alvorens het bestreden besluit te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Om die reden dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen wat betreft de periode van 1 november 2011 tot en met 30 september 2012 in stand zijn gelaten.

4.5.

Het bestreden besluit ziet, wat besluit 2 betreft, op de brutering van het over november en december 2011 nog openstaande bedrag aan terugvordering. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0561) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Daarvan is in dit geval geen sprake. De vordering, indien en voor zover die gelet op 4.4.3 zal blijken te bestaan, is ontstaan doordat appellante in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van de inkomsten die zij genoot boven de vaste inkomstenkorting. De beroepsgrond dat het college had moeten afzien van brutering slaagt gelet daarop niet. Gelet op 4.4 zal echter, mocht blijken dat de herziening en de terugvordering niet ongewijzigd in stand kunnen blijven, ook de brutering moeten worden aangepast. Of dat het geval zal zijn is afhankelijk van de uitkomst van het in 4.4 bedoelde nadere onderzoek dat het college zal moeten verrichten. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak ook moet worden vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, wat betreft de brutering, in stand zijn gelaten.

4.6.

Het bestreden besluit ziet, wat besluit 3 betreft, op de heffingskortingen waarover appellante had kunnen beschikken, voor zover het college die nog niet op de bijstand in mindering heeft gebracht. De periode die na de aangevallen uitspraak nog in geding is, betreft de periode van 28 januari 2010 tot en met 30 september 2012.

4.6.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad van 22 november 2016 en gelet op het nadere standpunt van het college dat het beroep van appellante op de zesmaandenjurisprudentie slaagt, is de periode in geding thans verder beperkt tot de periode van 28 januari 2010 tot 28 juli 2010.

4.6.2.

Het ligt, gelet op 4.3, op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellante in de periode van 28 januari tot 28 juli 2010 over de heffingskortingen had kunnen beschikken.

4.6.3.

In de periode van 28 januari 2010 tot 15 juli 2010 had appellante de beschikking over een door de rechter-commissaris vrijgelaten bedrag. Gelet op 4.1.2 en 4.2 kon appellante over dit vrij te laten bedrag beschikken. Wat appellante gedurende het faillissement boven dit vrij te laten bedrag verkreeg viel, gelet op 4.1.1, in de faillissementsboedel. Appellante kon daarover niet beschikken. Dit betekent dat er alleen ruimte is om de heffingskortingen als inkomsten in mindering te brengen op de bijstand indien en voor zover de heffingskortingen, samen met de overige inkomsten waarover appellante in de betreffende maanden kon beschikken, niet boven het vrijgelaten bedrag zouden zijn uitgekomen. Omdat uit de gedingstukken niet blijkt wat het door de rechter-commissaris vrijgelaten bedrag was, kan niet worden beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, appellante over de heffingskortingen had kunnen beschikken. Voor zover appellante niet over de heffingskortingen had kunnen beschikken, ontbreekt de grondslag voor het in mindering brengen daarvan op de bijstand. Of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit op dit punt in stand kunnen worden gelaten, vergt gelet op het voorgaande nader onderzoek.

4.6.4.

In de periode van 15 tot 28 juli 2010 was de schuldsaneringsregeling van toepassing. Gelet op 4.4.2 had appellante over de op die periode betrekking hebbende heffingskortingen kunnen beschikken als het totale bedrag aan inkomsten, inclusief de heffingskortingen, niet boven het door de bewindvoerder vrijgelaten bedrag zou zijn uitgekomen. Indien en voor zover dit bedrag aan heffingskortingen ertoe zou hebben geleid dat het totale bedrag aan inkomsten boven dat vrij te laten bedrag zou zijn uitgekomen, zou dit bedrag boven het vrij te laten bedrag in de boedel zijn gevallen en had appellante daarover niet kunnen beschikken. Ook met betrekking tot de vraag of de inkomsten van appellante met de heffingskortingen boven het in het kader van de schuldsaneringsregeling vrijgelaten bedrag zouden zijn uitgekomen, bieden de stukken van de bewindvoerder onvoldoende duidelijkheid. Bij de stukken bevindt zich een overzicht 'Boedelbijdragen' waarin staat dat de inkomsten in juli 2010 € 1.110,40 bedroegen en het vrijgelaten bedrag die maand € 1.339,56 was. Bij diezelfde stukken bevindt zich echter ook een overzicht 'Boedelbijdragen', waarin staat dat de inkomsten in de maand juli 2010 € 867,41 bedroegen en het vrijgelaten bedrag die maand

€ 818,10 was. Ook op dit punt is nader onderzoek nodig. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit kunnen gelet hierop ook over de periode van 15 tot 28 juli 2010 niet in stand blijven.

4.6.5.

Gelet op het in 4.6.1 genoemde nadere standpunt van het college had het college aanleiding behoren te vinden om van terugvordering van de verleende bijstand af te zien voor zover het de heffingskortingen over de periode van 28 juli 2010 tot en met 30 september 2012 betreft. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit kunnen gelet hierop niet in stand blijven voor zover dit de terugvordering betreft. Uit 4.6.3 en 4.6.4 volgt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit ook niet in stand kunnen blijven, voor zover dit de herziening in verband met de heffingskortingen over de periode van 28 januari 2010 tot 15 juli 2010 en de periode van 15 juli 2010 tot 28 juli 2010 betreft.

4.7.

Uit 4.4.3 en 4.6.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien, onder meer omdat hij niet over alle daartoe benodigde gegevens beschikt. Het college zal met inachtneming van wat hiervoor is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaar dienen te nemen.

4.8.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar van appellante slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

5. Tevens ziet de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.523,40 voor verleende rechtsbijstand (drie punten voor het hoger beroepschrift en het bijwonen van twee zittingen en € 38,40 aan reiskosten).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en voor zover daarbij de

rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 maart 2013 in stand zijn gelaten;

- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden

ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante in bezwaar en in hoger beroep, tot een

bedrag van in totaal € 1.523,40;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en G.M.G. Hink en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Smolders

HD