Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
15/364 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten woninginrichting. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 364 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2014, 14/2906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Bruijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bruijn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1991, heeft op 12 december 2013 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting.

1.2.

Bij besluit van 20 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze noodzakelijk zijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en of appellant de mogelijkheid heeft gehad daarvoor te reserveren.

4.3.

De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.4.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Appellant had immers kunnen voorzien dat hij op een zeker moment het ouderlijk huis zou gaan verlaten en voor de daarmee verband houdende kosten kunnen reserveren. Het is niettemin voorstelbaar dat er zich situaties kunnen voordoen waarin sprake is van een noodgedwongen vertrek dat op een zodanig moment komt dat er onvoldoende kon worden gereserveerd. Van zo een situatie is hier geen sprake. Op het moment van de aanvraag om bijzondere bijstand was appellant namelijk al enkele jaren meerderjarig, hij had inkomsten uit arbeid, hij ontving studiefinanciering en hij beschikte over enig spaargeld. Om deze redenen valt niet in te zien dat appellant niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting. Daarnaast is van een noodgedwongen vertrek naar een eigen woning evenmin gebleken. Weliswaar heeft appellant gesteld dat hij niet met zijn ouders mee kon verhuizen, maar hij heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Daartoe is immers onvoldoende de stelling dat de ouders moesten verhuizen naar een woning met weliswaar minder kamers, maar die in oppervlakte wel groter was. Appellant heeft bovendien (ook) ter zitting verklaard dat hij een driekamerappartement in Amsterdam kreeg aangeboden met een relatief lage huurprijs, wat hij als een buitenkansje zag. Hierin ligt een keuze besloten zodat appellant niet gedwongen was een eigen woning te aanvaarden en in te richten.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten terecht heeft afgewezen.

4.6.

Gelet op 4.2 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

HD