Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
16/6005 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening van de stadsregio en betrokkene. Kortsluiting. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is gegrond. De stadsregio was en is gehouden een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak te nemen. Hierbij gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in artikel 7:10 van de Awb. Nu de stadsregio aan betrokkene geen melding heeft gedaan dat zal worden beslist na advies van een commissie, moet worden uitgegaan van een beslistermijn van zes weken. De stadsregio heeft verzuimd om binnen deze termijn een nieuw besluit te nemen. Het hoger beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is dus gegrond. De Raad zal dit besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de door de stadsregio ingevolge artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurde dwangsom vaststellen. Aangezien de stadsregio meer dan 42 dagen in gebreke is, heeft de stadsregio de maximale dwangsom verbeurd, te weten € 1.260,-.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:55c
Algemene wet bestuursrecht 8:55d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/66
ABkort 2017/73
AB 2017/137 met annotatie van L.M. Koenraad
USZ 2017/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6005 AW, 16/6267 AW-VV, 16/6737 AW-VV

Datum uitspraak: 6 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op verzoeken om voorlopige voorziening en uitspraak met toepassing van

artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Partijen:

het bestuur van de stadsregio Parkstad Limburg (stadsregio)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de stadsregio heeft mr. drs. C.A.H. Lemmens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 juni 2016, 15/2656 (aangevallen uitspraak).

De stadsregio heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Namens betrokkene heeft mr. M.A. Billiet-de Jonge, advocaat, gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Namens betrokkene heeft mr. Billiet-de Jonge beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede bij het hoger beroep betrokken. Betrokkene heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Namens de stadsregio heeft mr. drs. Lemmens een verweerschrift ingediend en gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. De stadsregio heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.H.M. Degens, mr. J.M.M. Leenen en K. Hendriks. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Billiet-de Jonge.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam bij de stadsregio in de functie van medewerker [naam dienst] [naam functie] .

1.2.

Met ingang van 1 januari 2014 zijn de uitvoerende taken op het gebied van [taken] overgedragen van de stadsregio naar de [naam samenwerking] .

1.3.

Nadat de stadsregio het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft de stadsregio bij besluit van 29 januari 2015 op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO aan betrokkene met ingang van 1 februari 2015 de straf van ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Aan het besluit ligt de volgende gedraging ten grondslag: het tot twee keer toe weigeren in te gaan op een passend aanbod voor een vaste aanstelling bij [naam samenwerking] , terwijl op betrokkene de verplichting rustte zich in te zetten om van werk naar werk te komen en betrokkene gehouden was een passend aanbod te aanvaarden.

1.4.

Bij besluit van 30 juli 2015 (bestreden besluit) heeft de stadsregio het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat van ernstig plichtsverzuim dat strafontslag zou rechtvaardigen niet is gebleken. De rechtbank heeft niet zelf in de zaak voorzien, omdat daartoe de benodigde gegevens ontbreken. Volledigheidshalve heeft de rechtbank overwogen dat mogelijk ook tot reorganisatieontslag had kunnen worden overgegaan.

3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.

De aangevallen uitspraak brengt met zich dat de stadsregio een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen. Daaraan doet niet af dat de rechtbank daar niet uitdrukkelijk opdracht toe heeft gegeven. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 7 september 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA8322.

Het verzoek om voorlopige voorziening van de stadsregio

3.3.

Het verzoek van de stadsregio strekt ertoe dat wordt bepaald dat de stadsregio in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de stadsregio naar voren gebracht dat de aangevallen uitspraak noopt tot herstel van het dienstverband van betrokkene. Dat is volgens de stadsregio onaanvaardbaar, omdat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Het is volgens de stadsregio ook onwenselijk, omdat er geen werkzaamheden voor betrokkene meer beschikbaar zijn.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak volgens de stadsregio niet in stand zal kunnen blijven op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als deze geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd.

3.5.

Anders dan de stadsregio betoogt, noopt de aangevallen uitspraak niet noodzakelijkerwijs tot herstel van het dienstverband met betrokkene. De rechtbank heeft het ontslagbesluit immers niet herroepen. Daarbij komt dat de rechtbank heeft gewezen op een mogelijk alternatief voor het verleende strafontslag, namelijk reorganisatieontslag. In het midden latend wat er zij van de (overige) overwegingen van de rechtbank, acht de voorzieningenrechter deze uitkomst niet op voorhand onjuist. Daarbij wordt opgemerkt dat in situaties als hier aan de orde de keuze voor een strafontslag een minder gebruikelijke is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1179).

3.6.

De voorzieningenrechter acht in dit geval te minder reden voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu dit in de weg kan staan aan definitieve beslechting van het geschil. Het belang daarvan is gediend met het nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, omdat dit besluit dan zo nodig met toepassing van artikel 6:19 van de Awb kan worden meegenomen bij de behandeling van het hoger beroep.

3.7.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening van de stadsregio af te wijzen.

Het verzoek om voorlopige voorziening van betrokkene

3.8.

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar. In dat verband heeft zij verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de stadregio, onder de vaststelling van een termijn, op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarbij tevens een besluit te nemen op de door haar ingediende ingebrekestelling van 8 augustus 2016.

3.9.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, in zoverre onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.10.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de stadsregio gehouden was en is een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak te nemen. Hierbij gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in artikel 7:10 van de Awb. Nu de stadsregio aan betrokkene geen melding heeft gedaan dat zal worden beslist na advies van een commissie, moet worden uitgegaan van een beslistermijn van zes weken. De stadsregio heeft verzuimd om binnen deze termijn een nieuw besluit te nemen. Het hoger beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is dus gegrond. De Raad zal dit besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de door de stadsregio ingevolge artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurde dwangsom vaststellen. Aangezien de stadsregio meer

dan 42 dagen in gebreke is, heeft de stadsregio de maximale dwangsom verbeurd, te weten

€ 1.260,-. Verder zal de Raad de stadsregio met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb opdragen een beslissing op bezwaar te nemen en bekend te maken aan betrokkene. Gelet op de aard van het te nemen besluit wordt daarbij een termijn van vier weken aangehouden. Ten slotte zal de Raad met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat de stadsregio een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor bedoelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- bedraagt, met een maximum van € 15.000,-.

3.11.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening van betrokkene af te wijzen.

4. Aanleiding bestaat om de stadsregio te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 247,50.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van de stadsregio af;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van betrokkene af;

- verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een

besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegrond en vernietigt dat besluit;

- stelt de hoogte van de door de stadsregio aan betrokkene verschuldigde dwangsom vast op

€ 1.260,-;

- draagt de stadsregio op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak een

nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bekend te maken aan betrokkene;

- bepaalt dat de stadsregio een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor

bedoelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- bedraagt, met

een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt de stadsregio in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 247,50.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.V. van Donk

HD