Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/8504 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Onvoldoende aanknopingspunten om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8504 ZW

Datum uitspraak: 15 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 november 2015, 15/2438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Voor appellant is verschenen mr. El Ahmadi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker voor 40 uur in de week, toen hij zich in 2009 ziek meldde met lage rugklachten. Het Uwv heeft uiteindelijk bij besluit van 17 september 2013, gehandhaafd bij besluit van 31 december 2013, vastgesteld dat appellant met ingang van 13 december 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen, die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 5 december 2013, in staat geacht functies als productiemedewerker industrie, snackbereider en magazijn/expeditiemedewerker te vervullen. Appellant heeft zich tussentijds op 14 november 2013 ziek gemeld wegens lage rugklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 30 september 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts in dienst van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 30 september 2014 geschikt geacht voor ten minste een van de eerder geduide functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2014 vastgesteld dat appellant per 30 september 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Een week later heeft appellant zich wederom ziek gemeld, waarna hij op 19 december 2014 het spreekuur heeft bezocht van een verzekeringsarts. Ook deze arts heeft appellant per

29 december 2014 geschikt geacht voor ten minste een van de eerder geduide functies. Bij besluit van 19 december 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 29 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

13 maart 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant heeft aangevoerd dat hij door zijn rugklachten nauwelijks kan functioneren en daardoor ook problemen heeft om in slaap te komen. Hierdoor heeft hij slaaptekort en lijdt hij aan energieverlies. Ook heeft appellant aangevoerd dat hij psychische klachten heeft. Hij is depressief en lijdt onder veel stress. Door zijn lichamelijke klachten is het voor appellant onmogelijk om op redelijke wijze arbeid te verrichten. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat hij geen medische onderbouwing heeft voor zijn stellingen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zonder medische onderbouwing van de zijde van appellant ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De wijze waarop appellant zijn klachten ervaart, zonder daaraan afbreuk te doen, is zonder medische onderbouwing volgens de rechtbank onvoldoende.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er alle redenen zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Appellant stelt dat er onvoldoende beperkingen zijn opgenomen, waardoor hij op de datum in geding de geduide functies niet kan uitoefenen omdat de functies te zwaar zijn.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.3.

Daar wordt nog aan toegevoegd dat appellant ook in hoger beroep geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd die zijn stellingen kunnen ondersteunen. Dat door het Uwv onvoldoende beperkingen zijn aangenomen vindt geen bevestiging in de voorhanden zijnde medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat licht inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een wezenlijk ander medisch toestandsbeeld dan ten tijde van de eerdere WIA-beoordeling. In de destijds geselecteerde functies komen fysiek lichte, routinematige en psychisch niet al te belastende werkzaamheden voor. Daarom is appellant volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog steeds geschikt te achten voor deze functies. Het Uwv heeft daarom op goede gronden besloten dat appellant per

29 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld.

4.4.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet en zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.


(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) N. Veenstra

GdJ