Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/8065 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Geschikt voor ten minste één van de -in het kader van de WIA-beoordeling- geduide functies. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en naar behoren is gemotiveerd. De overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Appellante is er niet in geslaagd in hoger beroep twijfel te doen ontstaan aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8065 ZW

Datum uitspraak: 15 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 oktober 2015, 15/3932 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Miranda, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Voor appellante is verschenen mr. De Miranda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als medewerker algemene schoonmaak voor 18 uur per week bij [naam werkgever] sinds 2009 toen zij zich 26 juli 2012 ziek meldde met fysieke en spanningsklachten na een werkconflict. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 24 juli 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht vijf geduide functies te vervullen. Appellante heeft zich op 13 oktober 2014 ziek gemeld wegens toegenomen fysieke en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 27 februari 2015 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 13 oktober 2014 doorlopend geschikt geacht voor ten minste één van de eerder geduide functies, die van inpakker (Sbc-code 111190). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2015 vastgesteld dat appellante per 13 oktober 2014 geen recht heeft op ziekengeld. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 21 mei 2015 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 mei 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten inzichtelijk en deugdelijk zijn gemotiveerd. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellante per 13 oktober 2014 ongewijzigd belastbaar is en op die datum geschikt is om één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies te verrichten. De weigering om appellante met ingang van 13 oktober 2014 in aanmerking te brengen voor ziekengeld, is terecht in het bestreden besluit gehandhaafd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in hoofdzaak haar in beroep aangevoerde gronden herhaald. Zowel de psychische als de fysieke klachten van appellante zijn door de verzekeringsartsen onderschat. Met betrekking tot de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgevraagde informatie van de reumatoloog mist zij een reactie op de brief van

15 juli 2015 van reumatoloog-internist dr. C.A. Wybrandts.

3.2.

Onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

27 juli 2015, waarin is ingegaan op de door de dermatoloog verstrekte informatie, verzoekt het Uwv de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en naar behoren is gemotiveerd. De overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Appellante is er niet in geslaagd in hoger beroep twijfel te doen ontstaan aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

5. De overwegingen 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van N. Veenstra

als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) N. Veenstra

GdJ