Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/7464 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. De Raad stelt vast dat appellant in beroep zijn gronden heeft beperkt tot de verschuldigdheid van dwangsommen. Er is geen grond om te oordelen dat appellant redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt dat hij zijn beroepsgronden aldus heeft beperkt. Uit artikel 6:13 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dan dat appellant niet eerst in hoger beroep kan opkomen tegen het standpunt van het college over zijn recht op opvang.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/70
NJB 2017/503
USZ 2017/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7464 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2015, 14/6646 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/7330, 15/7464, 15/6741, 15/6802, 15/6803, 15/6838, 15/7332, 15/7472, 15/7474, 15/6853 en 15/7269 heeft gevoegd plaatsgehad op 2 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Appellant heeft op respectievelijk 30 december 2013 en 3 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder opvang in het Arkingebouw aan het Surinameplein te Amsterdam (de – voormalige – Jellinek) is geboden.

1.3.

Het college heeft deze bezwaarschriften aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 16 april 2014 afgewezen.

1.4.

Appellant heeft op 23 april 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 april 2014. Op 15 augustus 2014 heeft hij het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 30 december 2013, 3 maart 2014 en 23 april 2014. Op 10 oktober 2014 heeft hij beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op deze bezwaarschriften.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 21 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de weigering om aan appellant opvang als bedoeld in de Wmo te verlenen, gehandhaafd. Het college heeft geen dwangsom toegekend wegens niet tijdig beslissen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren van 30 december 2013 en 3 maart 2014, bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en bepaald dat het college een dwangsom verbeurt van in totaal € 2.520,-.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen oordeel is gegeven over zijn recht op opvang als bedoeld in de Wmo.

4.2.

De Raad stelt vast dat appellant in beroep zijn gronden heeft beperkt tot de verschuldigdheid van dwangsommen. Er is geen grond om te oordelen dat appellant redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt dat hij zijn beroepsgronden aldus heeft beperkt. Uit artikel 6:13 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dan dat appellant niet eerst in hoger beroep kan opkomen tegen het standpunt van het college over zijn recht op opvang.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.

(getekend) N.R. Docter

(getekend) M.S.E.S. Umans

RB