Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/6853 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opvang op grond van de Wmo. Voor zover betrokkene betoogt dat het besluit van 8 augustus 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat het een herhaling is van het besluit van 4 juli 2014 en daarmee niet op rechtsgevolg is gericht, faalt dit. Van een herhaald besluit is, gelet op de inhoud van het besluit van 8 augustus 2014 en gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Raad van 15 juni 2016 (ECLI:CRVB:2016:2210) over de brief van 4 juli 2014, geen sprake.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6853 WMO, 15/7269 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2015, 14/7736 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/7330, 15/7464, 15/6741, 15/6802, 15/6803, 15/6838, 15/7332, 15/7472, 15/7474, 15/6853 en 15/7269 heeft gevoegd plaatsgehad op 2 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Bij brief van 4 juli 2014 heeft het college vermeld dat de periode van zes maanden waarin betrokkene werd opgevangen in de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven) inmiddels is verstreken en dat de opvang beëindigd dient te worden.

1.3.

Het college heeft de aanvraag van betrokkene van 18 juni 2014 om continuering van de opvang aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 8 augustus 2014 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 8 augustus 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 8 augustus 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.

3. Betrokkene en het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor zover betrokkene betoogt dat het besluit van 8 augustus 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het een herhaling is van het besluit van 4 juli 2014 en daarmee niet op rechtsgevolg is gericht, faalt dit betoog. Van een herhaald besluit is, gelet op de inhoud van het besluit van 8 augustus 2014 en gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Raad van 15 juni 2016 (ECLI:CRVB:2016:2210) over de brief van 4 juli 2014, geen sprake.

4.2.

De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van de hoger beroepen van het college en betrokkene wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.

(getekend) N.R. Docter

(getekend) M.S.E.S. Umans

RB