Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:50

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
14-4669 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening studiefinanciering en boeteoplegging. Niet woonachtig op gba-adres. Geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Geen verminderde verwijtbaarheid. Opgelegde boete is passend en geboden. 2) De minister heeft de aanvraag ‘Uitzondering inschrijving GBA’ terecht afgewezen, reeds omdat is gebleken dat appellant wél een vaste woon- of verblijfplaats had, maar dat hij zich verwijtbaar onder een ander adres in de gba heeft ingeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4669 WSF, 14/4670 WSF

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2014, 13/2448 en 13/4704 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond vanaf 23 augustus 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [adres 1] te [woonplaats] . De minister heeft, voor zover van belang, vanaf 1 oktober 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 21 november 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gba stond ingeschreven. Tijdens dit onderzoek heeft de hoofdbewoonster, een tante van appellant, verklaard dat appellant niet op dat adres woont en daar ook nooit gewoond heeft. Appellant stond onder dat adres in de gba ingeschreven, omdat de (zolder)kamer waar hij verbleef, aan de [adres 2] te [woonplaats] , niet als bestaand adres in de gba bekend was. De dochter van de hoofdbewoonster heeft bevestigd dat appellant geprobeerd heeft om zich onder zijn woonadres in de gba in te schrijven, maar dat dit niet mogelijk was.

1.3.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft de minister de vanaf 1 oktober 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt, en het aan appellant over de periode van oktober tot en met december 2012 te veel betaalde bedrag van € 511,83 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 24 januari 2013 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 170,61.

1.4.

Bij besluit van 5 april 2013 (bestreden besluit 1) heeft de minister de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 18 januari 2013 en 24 januari 2013 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit de controle is gebleken dat appellant niet woonde op het adres waaronder hij in de gba stond ingeschreven.

1.5.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de minister afgewezen de aanvraag ‘Uitzondering inschrijving GBA’ van appellant van 3 december 2012, waarbij hij heeft verklaard dat hij in aanmerking wilde komen voor een uitwonendenbeurs, maar dat hij niet aan de daarvoor vereiste voorwaarden kan voldoen omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

1.6.

Bij besluit van 12 juli 2013 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 mei 2013 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellant, anders dan hij bij de aanvraag heeft verklaard, wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de controle naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant is gebleken dat hij niet op zijn gba-adres woonde en dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 1.5 van de Wsf 2000. Volgens de rechtbank komt het voor rekening en risico van appellant dat hij zich niet onder zijn feitelijke woonadres in de gba heeft ingeschreven. De minister hoefde dan ook geen aanleiding te zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Nu de onjuiste inschrijving appellant te verwijten is en niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden behoefde de minister geen aanleiding te zien om van het opleggen van een boete af te zien. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de minister de aanvraag ‘Uitzondering inschrijving GBA’ van appellant terecht heeft afgewezen, omdat appellant zich verwijtbaar onjuist heeft ingeschreven in de gba.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het hem niet kan worden verweten dat hij niet aan de voorwaarden voor inschrijving in de gba kan voldoen, nu de zolderkamer waarin hij verblijft, op het adres [adres 2] te [woonplaats] , niet voorkomt in het kadaster. Voorts is het volgens appellant evident dat hij geen thuiswonende studerende kan zijn, omdat zijn moeder - als gevolg van een huisuitzetting - geen woning heeft. Appellant heeft verder gesteld dat de minister ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij in aanmerking moet worden gebracht voor de ‘Uitzondering inschrijving GBA’, omdat hij niet kan voldoen aan de voorwaarden voor inschrijving in de gba en hem dit niet kan worden verweten.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Herziening en boeteoplegging

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft gewoond op het adres waaronder hij ten tijde van de controle in de gba stond ingeschreven. Daarmee staat vast dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 genoemde verplichting. Deze vaststelling leidt voor appellant als gevolg van (de werking van) artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 in beginsel tot een herziening van de aan hem toegekende studiefinanciering naar de norm die geldt voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 oktober 2012. Op grond van artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de minister in dat geval appellant ook een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het terugvorderingsbedrag. Voor een uitgebreide beschrijving van het toetsingskader in het geval van een herziening en een boete, alsmede de hoogte daarvan, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877.

4.2.1.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1890, wordt overwogen dat er gevallen mogelijk zijn waarin moet worden geoordeeld dat verwijtbaarheid ten aanzien van het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 ontbreekt. In die uitzonderingssituaties levert onverkorte toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard op en ligt het op de weg van de minister om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 en daarmee van herziening af te zien.

4.2.2.

De situatie dat appellant op een zolderkamer woonde die niet als woonadres in de gba was aangemeld, levert geen situatie van niet verwijtbaarheid op waarin de minister aanleiding had moeten zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Hierbij wordt van belang geacht dat de zolderkamer tot een woning behoort met een gba-adres – niet zijnde het adres waar appellant is ingeschreven – en geen aparte woning is. Het feit dat appellant zich in de gba heeft ingeschreven onder een adres waar hij niet woonde, komt voor zijn rekening en risico. De omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, evident niet thuiswonend kan zijn omdat zijn moeder geen woning heeft, vormt evenmin reden voor toepassing van de hardheidsclausule. De wetgever heeft er immers expliciet voor gekozen dat enkel en alleen recht op een uitwonendenbeurs bestaat wanneer de student feitelijk woont op zijn gba-adres.

4.3.

Vaststaat dat appellant nooit heeft gewoond op het adres waaronder hij ten tijde van de controle in de gba stond ingeschreven. Nu appellant verwijtbaar heeft gehandeld door zich in de gba onder een adres in te schrijven waar hij niet woonde, heeft de minister appellant, op grond van artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000, een bestuurlijke boete kunnen opleggen van ten hoogste 50 procent van het terugvorderingsbedrag. Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen feiten of omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid of dat de boete om een andere reden voor hem te hoog zou zijn. De Raad acht de boete passend en geboden.

Aanvraag ‘Uitzondering inschrijving GBA’

4.4.

Bij zijn aanvraag ‘Uitzondering inschrijving GBA’ van 3 december 2012 heeft appellant vermeld dat hij in aanmerking wenst te komen voor een uitwonendenbeurs, maar dat hij niet aan de daarvoor vereiste voorwaarden kan voldoen omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De minister heeft deze aanvraag terecht afgewezen, reeds omdat is gebleken dat appellant wél een vaste woon- of verblijfplaats had, maar dat hij zich verwijtbaar onder een ander adres in de gba heeft ingeschreven. De stelling van appellant dat er een andere reden was op grond waarvan hij zich niet in de gba kon inschrijven op zijn feitelijke woonadres – omdat dat adres niet in de gba voorkwam – maar dat dit bij de aanvraag verkeerd is ingevuld, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij wordt van belang geacht dat appellant niet alleen in zijn aanvraag, maar ook in zijn bezwaarschrift heeft verklaard dat hij voor een uitwonendenbeurs in aanmerking diende te komen omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had. Niet is gebleken dat appellant de grond onder zijn aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit heeft aangepast.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) N. Veenstra

UM