Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/3944 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2875, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering terecht. Het medisch onderzoek heeft op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. In voldoende mate medische beperkingen vastgesteld. De geselecteerde functies zijn passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3944 WIA

Datum uitspraak: 10 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 april 2015, 14/3889 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Chattou hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Chattou. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 17 februari 2012 in verband met lichamelijke en psychische klachten uitgevallen vanuit haar functie van gastvrouw. Op 28 november 2013 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante vanwege fysieke beperkingen aangewezen is op fysiek niet zwaar werk, zonder te veel hectiek en deadlines. Tevens mogen er geen hoge eisen worden gesteld aan de knijpkracht van de handen. Door een endocriene aandoening moet het werk in een regelmatig arbeidspatroon plaatsvinden. Vanwege verminderde psychische spankracht is appellante beperkt voor het omgaan met conflicten en klantcontacten. Volgens de verzekeringsarts is er geen medische noodzaak voor een urenbeperking. De verzekeringsarts heeft op 6 december 2013 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellante geacht wordt te kunnen verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is op basis daarvan vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 6 januari 2014 is vastgesteld dat appellante met ingang van 14 februari 2014 geen recht heeft op een uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.2.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen als gevolg van haar hoofdpijn- en zware depressieve klachten door het Uwv zijn onderschat. Hierdoor is zij niet in staat arbeid te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nadere informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog die bij brief van 21 maart 2014 de gevraagde informatie heeft gegeven. Na appellante en haar echtgenoot gesproken te hebben op de hoorzitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beoordeling door de verzekeringsarts bevestigd. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een onderzoek verricht. Hij heeft één functie laten vervallen en vervolgens een functie bijgeduid waarna hij heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd op 6,16% is gebleven. Bij besluit van 5 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant de gronden van bezwaar herhaald. Daaraan is toegevoegd dat appellante verwezen is naar i-psy voor specialistische behandeling vanwege haar angst- en stemmingsklachten. Appellante wijst op de brief van 17 september 2014 van i-psy. Voorts is nadere medische informatie overgelegd naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding van appellante op 23 april 2014, waaronder de controlerapporten in het kader van de Ziektewet, het huisartsenjournaal en een medicatieoverzicht. Vanwege haar lichamelijke en psychische klachten kan zij, hoewel zij graag wil, niet werken. Gelet op de informatie die is overgelegd, verzoekt appellante om inschakeling van een onafhankelijke arts.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel zij begrip heeft voor de moeilijke situatie van appellante, geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door het Uwv bij appellante vastgestelde beperkingen. De verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) hebben met de door appellante overgelegde informatie van de behandelend sector, waaruit blijkt dat sprake is van een milde depressie, rekening gehouden en deze informatie kenbaar in de rapporten van 6 december 2013 en 4 april 2014 meegewogen. In de FML zijn daartoe beperkingen vastgesteld. Naar aanleiding van de ziekmelding per 23 april 2014 en de daarop betrekking hebbende stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten overgelegd in beroep voldoende gemotiveerd aangegeven dat deze geen invloed hebben op arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op de datum in geding van 14 februari 2014. Ten slotte heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep wederom betoogd dat de door de verzekeringsartsen aangenomen beperkingen geen recht doen aan haar psychische en lichamelijke klachten. Het medisch onderzoek is niet zorgvuldig en volledig geweest aangezien er geen goed beeld van de beperkingen is. Appellante komt door haar lichamelijke en psychische klachten tot niets. Zij kan hierdoor niet werken. Door slaapproblemen, angstklachten om haar gezondheid en depressieve stemming is zij niet in staat het huishouden te doen. De sociale contacten binnen en buiten het gezin kan zij niet naar behoren vervullen. Appellante heeft een reeds in beroep overgelegde brief van 17 september 2014 van PsyQ opnieuw ingebracht. De verzekeringsartsen, alsook de rechtbank, zijn niet ingegaan op het feit dat de gezondheidssituatie van appellante alleen maar slechter wordt. Om deze reden heeft appellante verzocht om inschakeling van een onafhankelijk arts.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, heeft informatie van de behandelend sector, onder meer van de behandeld psycholoog, in zijn beoordeling betrokken en heeft vervolgens beperkingen vastgesteld en neergelegd in een FML. In bezwaar heeft er een hoorzitting in aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. Deze arts heeft, naast de reeds bekende medische gegevens uit de behandelend sector, nog een nadere brief van de behandelend psycholoog verkregen en meegewogen.

4.2.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante in voldoende mate medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank heeft de in beroep door appellante aangevoerde en in hoger beroep herhaalde gronden met betrekking tot het aannemen van meer beperkingen voor arbeid wat betreft appellantes psychische en lichamelijke klachten, afdoende besproken en toereikend gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De in hoger beroep aangevoerde gronden zijn in hoofdzaak een herhaling van wat in bezwaar en beroep is aangevoerd. Nu appellante geen nadere medische onderbouwing heeft ingediend die twijfel zou kunnen oproepen aan de juistheid van de medische beoordeling wordt volstaan met verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht de gestelde verslechtering van de gezondheidssituatie na 14 februari 2014 buiten beschouwing gelaten, nu in dit geding ter beoordeling slechts voorligt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 14 februari 2014. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen aanleiding om een deskundige in te schakelen.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank gevolgd over de passendheid van de geselecteerde functies, zoals gemotiveerd door de arbeidsdeskundige in de Resultaat Functiebeoordeling van

30 december 2014 en in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

17 april 2014.

4.4.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en L. Koper en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2017.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) A.M.C. de Vries

RB