Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/4538 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Niet starten met opleiding met studiefinanciering. Geschiktheid onderzocht om BOL-opleiding te volgen. Voorkeur voor andere opleiding heeft niet geresulteerd in inschrijving. Gehoudenheid tot intrekken bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4538 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 mei 2015, 14/3881 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op [in] 1988, ontving sinds 1 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Nadat appellant een traject bij het project Titan had gevolgd, heeft een medewerker van Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht op 19 juli 2013 met appellant een gesprek gevoerd over het vervolg van zijn re-integratie. Daarbij heeft de medewerker, gelet op eerdere rapportages en de overdracht van Titan, met appellant de mogelijkheid besproken van Back2School, een traject waarin appellant een zogenaamde beroepsopleidende leerweg (BOL) op MBO-niveau aan een ROC volgt om daarmee een startkwalificatie te verkrijgen. Ten tijde in geding was het mogelijk om op 1 september of op 1 februari met een BOL-opleiding te starten. Bij een BOL-opleiding bestaat aanspraak op studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Appellant heeft in het gesprek echter te kennen gegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar het volgen van een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) installatietechniek, een opleiding waarvoor het nodig is om een leerwerkbaan te vinden en waarbij geen aanspraak bestaat op studiefinanciering. Appellant heeft vervolgens tot september 2013 de tijd gekregen om dit te gaan regelen. Op 23 oktober 2013 is opnieuw met appellant gesproken over zijn re-integratie. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven een eigen onderneming te willen starten. Werk en Inkomen heeft appellant vervolgens tot

23 december 2013 de tijd gegeven om een start te maken met een ondernemingsplan. Werk en Inkomen heeft appellant op 7 januari 2014 per e-mail verzocht om door te geven wat hij aan zijn ondernemingsplan heeft gedaan en daarvan bewijsstukken in te sturen. Hierop heeft appellant niet gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 18 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 februari 2014 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant op 1 februari 2014 niet is gestart met een opleiding waarbij hij aanspraak had op studiefinanciering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de gemeente heeft volstaan met de mededeling dat appellant per 1 februari 2014 moest zijn ingeschreven bij een opleiding met aanspraak op studiefinanciering, zonder dat onderzoek is gedaan naar de geschiktheid van appellant voor het volgen van een dergelijke opleiding. Tevens heeft appellant verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 tot en met 18 februari 2014.

4.2.

Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of het college onder de gegeven omstandigheden terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. Op grond van die bepaling bestaat geen recht op algemene bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1e. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000, dan wel

2e. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

4.3.

Anders dan appellant stelt, heeft het college de geschiktheid van appellant voor het volgen van een opleiding met aanspraak op studiefinanciering wel onderzocht. Uit 1.2 blijkt dat een medewerker van Werk en Inkomen reeds op 19 juli 2013 met appellant de mogelijkheid van een BOL-opleiding, waarbij aanspraak bestaat op studiefinanciering, heeft besproken. Appellant had op 1 februari 2014 kunnen beginnen met een BOL-opleiding. Niet gebleken is dat appellant dit heeft betwist. Appellant heeft echter zijn voorkeur uitgesproken voor het volgen van een BBL-opleiding. Dit heeft niet geresulteerd in een inschrijving voor een dergelijke opleiding gedurende de hier te beoordelen periode. Het college was ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB dan ook gehouden de bijstand in te trekken.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellant zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.A.E. Bon

HD