Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/4096 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Inkomsten uit arbeid en uit onderhuur. Uitgaan van onderhuurcontract. Vervalsing niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4096 WWB, 15/4097 WWB, 15/4098 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

29 april 2015, 14/4493, 14/4494 en 14/4710 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Dekker-Koenders en C. van der Gulik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 27 augustus 2012 in aanvulling op inkomsten uit arbeid bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met aanvankelijk een toeslag van 20% en vanaf 3 oktober 2013 met een toeslag van 10%. Zij stond ten tijde in geding ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) op het [uitkeringsadres] te Purmerend (uitkeringsadres).

1.2.

Nadat het college van een derde instantie afschriften had ontvangen van een overeenkomst van onderhuur - tussen appellante enerzijds en [Vr.] (Vr) en

[V.] (V) anderzijds - en van vijf kwitanties van elk € 950,- over de maanden november 2013 tot en met maart 2014, hebben twee handhavingsmedewerkers van de gemeente Purmerend op 26 maart 2014 een gesprek met appellante gevoerd. Appellante heeft daarbij onder meer verklaard dat Vr en V, met wie zij bevriend is, bij haar inwonen, dat er geen contract is opgesteld en dat zij vanaf oktober 2013 € 300,- per maand van hen ontvangt voor onder meer boodschappen. Zij heeft de medebewoning doorgegeven aan de Belastingdienst, waardoor de huurtoeslag is beëindigd. Hoewel appellante, volgens het door haar ondertekende gespreksverslag, het formulier huurovereenkomst herkent en erkent dat de handtekening onder het contract van haar is, stelt zij niettemin dat van een huurcontract geen sprake is geweest. Op 27 maart 2014 heeft appellante per 28 april 2014 de huur van de woning aan het uitkeringsadres opgezegd. Vanaf 1 maart 2014 heeft appellante inkomsten uit arbeid ontvangen die de voor haar toepasselijke bijstandsnorm overschrijden.

1.3.

Bij besluit van 7 april 2014 (besluit 1), zoals later gewijzigd bij besluit van 22 april 2014, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2013 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2013 tot en met 28 februari 2014 tot een bedrag van € 1.916,03 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante over de in geding zijnde periode inkomsten uit arbeid en onderhuur heeft ontvangen die tezamen hoger zijn dan de voor appellante toepasselijke bijstandsnorm.

1.4.

Bij afzonderlijk besluit van 22 april 2014 (besluit 2) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 1.000,- omdat zij niet heeft gemeld dat zij vanaf 1 oktober 2013 inkomsten uit onderhuur ontvangt van twee medebewoners.

1.5.

Bij besluit van 27 mei 2014 (besluit 3) heeft het college aan appellante de met haar gemaakte afspraak bevestigd dat zij wegens het bestaan van meerdere vorderingen van het college op haar met ingang van 1 juni 2014 een bedrag van € 65,- per maand gaat aflossen.

1.6.

Bij besluit van 18 september 2014 (bestreden besluit 1) en bij twee afzonderlijke besluiten van 25 september 2014 (bestreden besluiten 2 en 3) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich in het bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, ten aanzien van bestreden besluit 1 geoordeeld dat het college mocht uitgaan van het bestaan van een onderhuurcontract en van betalingen aan appellante, zoals die blijken uit de overgelegde kwitanties. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht niet is vast te stellen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de bijstand en op de boete.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2013 tot en met 28 februari 2014.

4.2.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat bij de intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode kon worden uitgegaan van het bestaan van het in 1.2 bedoelde onderhuurcontract (met de daarin opgenomen huurprijs van € 950,-) en de betalingen aan appellante overeenkomstig de overgelegde kwitanties.

4.3.

Met de rechtbank acht de Raad de stelling van appellante, dat haar handtekeningen op het onderhuurcontract en de kwitanties niet van haar zouden zijn, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Allereerst verschilt de handtekening in deze stukken op het eerste gezicht niet of nauwelijks van de handtekening van appellante bekend uit andere dossierstukken. Voorts staat deze blote ontkenning - die overigens pas voor het eerst in het bezwaar door de gemachtigde is gedaan nadat appellante eerst zelf bezwaar had aangetekend zonder dit punt aan te voeren - haaks op wat appellante zelf in het gesprek op 26 maart 2014 tegenover twee handhavingsmedewerkers over die handtekening heeft verklaard. Overigens heeft appellante ter zake van de gestelde vervalsing van haar handtekening ook geen aangifte gedaan bij de politie. Ten slotte heeft Vr op 9 juli 2014 tegenover twee handhavingsmedewerkers verklaard dat de huur contant aan appellante is betaald en dat appellante in hun bijzijn het huurcontract en de kwitanties heeft ondertekend. Dat Vr (en V) er belang bij zouden hebben gehad in strijd met de waarheid te verklaren, heeft appellante niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

4.4.

Dat de verklaring van appellante van 26 maart 2014 onjuist zou zijn weergegeven heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak besproken en op goede gronden weerlegd. Daaraan wordt toegevoegd dat de omstandigheid dat appellante ook op 22 december 2013 heeft verklaard dat zij € 300,- ontving, niet maakt dat zij niet kan worden gehouden aan haar verklaring over het huurcontract. Appellante heeft in hoger beroep haar stellingen dienaangaande herhaald maar niet nader onderbouwd, zodat hieraan verder wordt voorbijgegaan.

4.5.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het onderhuurcontract, de kwitanties en de verklaringen van appellante en Vr voldoende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat appellante in de in geding zijnde periode haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, had hieraan echter de conclusie moeten worden verbonden dat appellante in de te beoordelen periode beschikte over inkomsten uit arbeid en onderhuur die de toepasselijke bijstandsnorm te boven gingen, zodat geen recht op bijstand bestond. Nu appellante daarvan geen melding had gemaakt was het college dan ook gehouden de bijstand op grond hiervan met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB in te trekken.

4.6.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze verder geen bespreking behoeft.

Boete

4.7.

Ook tegen de boete zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Onder de gegeven omstandigheden acht de Raad de door het college opgelegde boete, die door de rechtbank onverkort in stand is gelaten, passend en geboden.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal - met verbetering van gronden, gelet op wat in 4.5 is

overwogen - worden bevestigd.

4.9.

Uit 4.8 vloeit voort dat voor de verzochte schadevergoeding geen grond aanwezig is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Mansourova

HD