Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/3815 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting door niet alle bankrekeningen op te geven. Beschikken over saldo. Recht niet vast te stellen. Boete evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3815 WWB,15/3816 WWB,15/3817 WWB

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 april 2015, 14/2391, 14/3026 en 14/8532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C. Kaiser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de hoogte van de boete nader berekend op € 1.180,-.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Voor appellante is

mr. Kaiser verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door V.M.M. Albers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 19 februari 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Ten tijde van de aanvraag heeft appellante opgegeven dat zij een ING-bankrekening heeft.

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek is bij raadpleging van Suwinet gebleken dat appellante bankrekeningen op haar naam heeft staan, die zij niet eerder heeft gemeld. Zo beschikte zij over een ABN AMRO-rekening met nummer [bankrekening 1] (bankrekening 1), een ABN AMRO-rekening met nummer [bankrekening 2] (bankrekening 2) en een ABN AMRO-vermogensspaarrekening (vermogensspaarrekening). Ten slotte had de toentertijd minderjarige dochter van appellante ook een ABN AMRO-rekening op haar naam staan.

1.3.

Op 2 december 2013 heeft appellante bankafschriften ingeleverd van bankrekeningen 1 en 2. Van de vermogensspaarrekening heeft appellante een afschrift van 28 februari 2013 overgelegd en een computeruitdraai van de bank. Eveneens op 2 december 2013 heeft appellante verklaard dat zij op bankrekeningen 1 en 2 en de vermogensspaarrekening geld heeft gestort voor haar vriendin uit Irak, omdat die vriendin de banken in Irak niet vertrouwt.

1.4.

Bij besluit van 18 december 2013 (besluit 1) heeft het college de bijstand met ingang van 19 februari 2013 ingetrokken. Bij besluit van 23 december 2013 (besluit 2) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.044,10 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 7 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 9 januari 2014 (besluit 3) heeft het college appellante zes maanden uitstel verleend voor het betalen van de vordering. Bij besluit van 16 januari 2014 (besluit 4) heeft het college het terugvorderingsbedrag gebruteerd tot € 13.466,34 en bij besluit van 31 januari 2014 (besluit 5) heeft het college appellante een boete ter hoogte van € 10.044,10 opgelegd. Bij besluit van 1 april 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 3, 4 en 5 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van 24 maart 2014 (besluit 6) heeft het college appellante weer bijstand toegekend met ingang van 28 december 2013 maar de bijstand met ingang van 28 december 2013 voor de duur van vijf maanden verlaagd met 40% wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Bij besluit van 29 juli 2014 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen besluit 6 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen de boete gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 5.030,-. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van gewone verwijtbaarheid en niet van opzet. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante te kennen gegeven dat het hoger beroep primair ziet op de intrekking en de terugvordering van de bijstand. Tegen de brutering en de maatregel heeft appellante geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Met de door het college nader berekende boete van € 1.180,- kan appellante zich verenigen, mits de intrekking en terugvordering stand houden.

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 19 februari 2013 tot en met 18 december 2013.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de bankrekeningen niet opzettelijk heeft verzwegen. Zij heeft er gewoon niet bij stilgestaan dat zij deze moest opgeven. Voor haar was niet redelijkerwijs duidelijk dat de rekeningen van invloed konden zijn op haar bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat appellante geen melding heeft gemaakt bij het college van een drietal bankrekeningen. Anders dan appellante stelt, gaat het hier om financiële gegevens waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellante twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Appellante heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Hierbij is niet relevant of appellante bewust de informatie voor het college heeft willen achterhouden. De in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellante de bankrekeningen had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, het geval.

4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het geld op de bankrekeningen niet van haar was, maar van haar vriendin uit Irak. Appellante kon niet over het geld beschikken.

4.5.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd. Uit de afschriften blijkt dat appellante zelf bedragen op de bankrekeningen heeft gestort en overboekingen heeft gedaan van de ene naar de andere rekening. Bovendien is gebleken dat zij daadwerkelijk enkele bedragen ten behoeve van zichzelf heeft opgenomen. Appellante beschikte over de pinpas van de rekeningen. In elk geval moet het ervoor worden gehouden dat appellante de mogelijkheid had om de gelden op de bankrekeningen aan te wenden ten behoeve van de noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.6.

Het college heeft aan de intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In dit geval ontbreken bankafschriften van de vermogensspaarrekening. Van de vermogensspaarrekening is alleen een afschrift van 28 februari 2013 en een gecomprimeerde computeruitdraai van de bank van 28 januari 2014 voorhanden. Appellante heeft aangevoerd dat op deze rekening nooit transacties hebben plaatsgevonden. Het afschrift van 28 februari 2013 met een saldo van € 0,00 en de uitdraai van de bank bieden evenwel onvoldoende informatie om het recht op bijstand van appellante te kunnen beoordelen, reeds omdat die stukken geen inzicht geven in eventuele transacties in de tussengelegen tijdvakken.

4.7.

Uit 4.3, 4.5 en 4.6 volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden was om de bijstand van appellante met ingang van 19 februari 2013 in te trekken.

4.8.

Gelet op 4.7 was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB eveneens gehouden om de kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. In wat appellante heeft aangevoerd is geen reden gelegen om af te zien van terugvordering. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake.

4.9.

Tegen de brutering en de maatregel heeft appellante geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd, zodat deze onbesproken kunnen blijven.

4.10.

In hoger beroep heeft het college het standpunt ingenomen dat de boete moet worden vastgesteld op € 1.180,-. De gebleken verwijtbaarheid van appellante, de omstandigheden waaronder zij de overtreding heeft begaan en haar persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander bedrag uit te gaan. Ook de Raad acht deze boete evenredig, passend en geboden.

4.11.

Gelet op 4.10 dient de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de vaststelling van de boete, te worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal het bedrag van de boete worden vastgesteld op € 1.180,-.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 990,- in bezwaar en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de vaststelling van de boete;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 1 april 2014 voor zover

de hoogte van de boete is vastgesteld op € 10.044,10;

- stelt de boete vast op € 1.180,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het besluit van 1 april 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

HD