Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/141 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Zeer geringe uitgaven voor levensonderhoud. Grondslag dat er een andere inkomstenbron moet zijn, houdt geen stand. Aannemelijke verklaring over sobere levensstijl.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/132 met annotatie van M.W. Venderbos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/141 WWB, 15/142 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 november 2014, 14/4218 en 14/4219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kazzaz-de Hoog. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.1.

Appellant heeft op 28 september 2010 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraagformulier heeft hij als reden voor de aanvraag vermeld dat zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet was beëindigd. Voorts heeft hij vermeld dat hij op het opgegeven adres woont met zijn moeder. Op de door appellant overgelegde bankafschriften van zijn ING-rekening met nummer [ING-rekening] (ING-rekening) is te zien dat hij op 18 augustus 2010 een bedrag van € 10.000,- heeft opgenomen en dat na die opname een saldo resteerde van € 4.814,46. In de aanvraagrapportage van 13 oktober 2010 is de verklaring die appellant op die datum heeft afgelegd over de opname van € 10.000,- als volgt verwoord:

“Meneer had van iemand van het UWV gehoord dat hij maar € 5.000 op zijn bankrekening mocht hebben staan, waarna hij de € 10.000 heeft opgenomen om onder dit bedrag te komen. Dit geld ligt nu thuis in een la. Hij dacht dat we bij aanvraag slechts om het laatste afschrift zouden vragen en dat hij op deze manier zijn ‘appeltje voor de dorst’ achter kon houden.”

1.1.2.

Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat het vermogen van appellant € 14.751,46 bedraagt en dat dit meer is dan de voor hem geldende vermogensgrens van € 5.480,-. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2.1.

Op 20 november 2012 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft hij op vragen van welk inkomen hij heeft geleefd (vraag 3.1.1), waarom hij nu een bijstandsuitkering aanvraagt (vraag 3.1.2) en hoe het komt dat zijn financiële situatie is gewijzigd (vraag 3.1.3) als volgt beantwoord:

Vraag 3.1.1: “Geen inkomen omdat ik thuiswoner was”

Vraag 3.1.2: “Moeder overleden”

Vraag 3.1.3: “sinds 10 - 2010 geen ww uitkering maar had 5000 euro teveel op giro eerst opmaken en dat is nu op.”.

Bij de aanvraag heeft appellant de volgende stukken overgelegd: een afschrift van de

ING-rekening, een afschrift van de bankrekening van zijn moeder en een brief van appellant van 29 maart 2011 aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag (Dienst). In deze brief, die betrekking heeft op de aanvraag van appellant om een zogeheten Ooievaarspas, heeft appellant te kennen gegeven dat hij bezig is zijn geld op te maken, omdat hij in 2010 te horen had gekregen pas voor een bijstandsuitkering in aanmerking te kunnen komen als zijn geld op was.

1.2.2.

In de aanvraagrapportage van 22 november 2012 is het volgende vermeld. Appellant woonde bij zijn moeder, die op 4 november 2012 is overleden. Dit betekent dat hij nu de huurbetalingen moet voldoen. Zijn vermogen is in oktober 2010 vastgesteld op € 14.751,46 en dat is nu op. Appellant heeft 24 maanden ingeteerd op het vermogen, wat ruim binnen de interingsnormen is. Een eventuele erfenis, die over vier kinderen moet worden verdeeld, heeft geen invloed op het vermogen van appellant en zal er in de toekomst ook niet toe leiden dat de bijstand moet worden beëindigd.

1.2.3.

Bij besluit van 4 december 2012 heeft het college appellant met ingang van

20 november 2012 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.

1.3.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst over 2011, waaruit bleek dat bij de Rabobank een rekening op naam van appellant stond geregistreerd die niet bij het college bekend was, heeft het college appellant bij brief van 2 juli 2013 verzocht bankafschriften over te leggen vanaf 31 december 2011 van de onbekende rekening en van de rekeningen van hemzelf en van zijn overleden moeder. Appellant heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd. Bij brief van 10 september 2013 heeft het college appellant verzocht nader genoemde (bank)gegevens te verstrekken, onder meer informatie over de nalatenschap van zijn moeder. Naar aanleiding van deze brief heeft een medewerker van de met de nalatenschap belaste notaris op 17 september 2013 telefonisch aan de Dienst doorgegeven dat de afhandeling van de nalatenschap nog ongeveer een jaar in beslag zou nemen, dat het naar verwachting zou gaan om een bedrag van ongeveer € 20.000,- en dat dit bedrag, waarvan nog kosten afgaan, moet worden verdeeld over vier erfgenamen.

1.4.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2013 ingetrokken op de grond dat hij vanaf die datum inkomsten uit arbeid heeft die hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de maand september 2013 van appellant teruggevorderd.

1.5.

De Dienst heeft naar aanleiding van de ontvangen bankafschriften nader onderzoek gedaan door de transacties op de door appellant overgelegde bankafschriften aan een analyse te onderwerpen en, in verband met de resultaten van die analyse, appellant op te roepen voor een gesprek. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 11 november 2013. In deze rapportage, voor zover van belang, staat het volgende. Op de ING-rekening zijn tot en met 12 maart 2012 contante opnames zichtbaar op de bankafschriften. Van die datum tot en met 12 september 2013 heeft appellant geen contanten meer opgenomen van zijn bankrekening. Ook heeft appellant nauwelijks pinbetalingen voor levensmiddelen gedaan. Volgens de Nibudnormen zou appellant maandelijks in 2012

€ 189,90 aan voedingsmiddelen hebben moeten uitgeven en in 2013 tenminste € 199,80. Appellant heeft in de periode van 20 november 2012 tot en met 31 augustus 2013 in totaal € 76,26 gepind in supermarkten. Om opheldering te geven over het uitgavenpatroon is appellant bij brief van 11 oktober 2013 uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Dienst. Door omstandigheden kon deze afspraak niet doorgaan, wat op 22 oktober 2013 telefonisch aan appellant is doorgegeven. Bij brief van 28 oktober 2013 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 4 november 2013. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Bij brief van 4 november 2013 is hij uitgenodigd voor een gesprek op

8 november 2013. Appellant is opnieuw zonder bericht niet verschenen. Gezien het ontbreken van contante opnames en pinbetalingen voor levensmiddelen, het ontbreken van pinbetalingen bij tankstations, terwijl er wel bekeuringen worden betaald, moet worden aangenomen dat appellant contanten, dan wel inkomsten, heeft die hij niet heeft opgegeven.

1.6.1.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 15 november 2013 de bijstand van appellant over de periode van 20 november 2012 tot en met 31 augustus 2013 (periode in geding) te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van

€ 8.993,12. Het college heeft aan dit besluit het volgende ten grondslag gelegd. Uit onderzoek is gebleken dat appellant de kosten van levensonderhoud voldoet uit andere bronnen dan zijn bijstandsuitkering. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door daarover geen informatie te verstrekken. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.6.2.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellant het volgende verklaard. Hij was niet op de hoogte van de verschillende uitnodigingen van de Dienst om informatie te verschaffen. Hij heeft zuinig aan kunnen leven omdat hij inwonend was bij zijn moeder en zij een pensioen ontving. Bij aanvang van de bijstand in november 2012 beschikte hij nog over € 1.000,-. Hij leidt een zuinig bestaan en heeft met deze middelen lange tijd in zijn onderhoud kunnen voorzien. De vaste lasten betaalt hij van zijn bankrekening, de boodschappen kon hij van de contante middelen betalen. Weliswaar heeft appellant bij de aanvang van de uitkering niet gemeld dat hij over dit contante bedrag beschikte, maar de vermogensvrijlating werd niet overschreden. Appellant heeft altijd de zorg voor zijn moeder gehad en heeft haar overlijden nog steeds niet verwerkt. Hij is verantwoord met het vermogen omgegaan. Van zijn vermogen heeft hij zo lang mogelijk geleefd.

1.6.3.

Bij besluit van 14 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan bestreden besluit 1 het volgende ten grondslag gelegd. De gespreksuitnodigingen zijn niet aangetekend verzonden. De ontkenning van de ontvangst kan niet worden weerlegd. De omstandigheid dat appellant wel gehoor heeft gegeven aan de andere informatieverzoeken spreekt in het voordeel van appellant. Het is niet duidelijk waarom appellant bij de aanvraag in november 2012 het vermogen van € 1.000,- niet heeft opgegeven. Het bestaan en de hoogte van het vermogen zijn niet aangetoond noch gemeld, dus verificatie daarvan is niet mogelijk. Het gestelde bestedingspatroon, waarbij met € 1.000,- in contanten negen maanden in de kosten van levensonderhoud wordt voorzien, wijkt te zeer af van wat gebruikelijk is en ook van het bestedingspatroon tussen 2010 en 2012. Immers, in die periode zou appellant, uitgaande van het vermogen in 2010, een bestedingspatroon hebben gehad van ongeveer € 500,- per maand. Tussen november 2012 en augustus 2013 zou appellant gemiddeld € 111,- per maand gebruiken. Ook als wordt uitgegaan van het gestelde vermogen van € 1.000,- bij aanvang van de bijstand, is niet aannemelijk dat appellant daarmee gedurende een periode van negen maanden in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft de stelling van de Dienst dat appellant uit andere middelen in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien niet afdoende weerlegd.

1.7.

Bij besluit van 7 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 9.000,- wegens schending van de inlichtingenverplichting over de periode in geding. Het college heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt geen andere bron dan de bijstandsuitkering te hebben en dat hij onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet.

1.8.

Hangende het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft het college dit besluit bij besluit van 7 juli 2014 (nader besluit) in die zin gewijzigd, dat het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2014 gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de boete wordt verlaagd tot € 7.681,-.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de uitkomsten van het onderzoek van de Dienst voldoende aanknopingspunten bieden voor het door het college ingenomen standpunt dat appellant in de periode in geding naast zijn bijstandsuitkering andere inkomsten moet hebben genoten.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak voorts het beroep tegen bestreden

besluit 2, zoals gewijzigd bij het nader besluit, gegrond verklaard en het aldus gewijzigde besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door een bestuurlijke boete op te leggen van € 966,70.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard en een boete van € 966,70 is opgelegd. Hij betwist dat hij naast zijn uitkering een andere bron van inkomsten heeft gehad en ook dat hij heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hiertoe heeft appellant, onder verwijzing naar zijn uitleg in bezwaar en beroep, het volgende naar voren gebracht. Uit een eerdere ervaring wist appellant dat het contante bedrag van € 1.000,- dat hij thuis had liggen ruim beneden de grens van het vrij te laten vermogen lag. Hij heeft te goeder trouw gemeend dat hij dit bedrag niet hoefde op te geven. Toen zijn moeder nog leefde, zorgde hij voor uitjes, pleziertjes en vakanties voor zijn moeder. Door het overlijden van zijn moeder, bij wie appellant zijn hele leven had gewoond, was hij emotioneel zwaar aanslagen. Hij is toen veranderd in een man die alleen nog maar thuis zat, nergens naartoe ging en uiterst sober leefde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd, zo heeft de vertegenwoordiger van het college ter zitting bevestigd, dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van een andere inkomstenbron die hij naast zijn bijstandsuitkering had.

4.3.1.

Uit het onderzoek naar de door appellant overgelegde bankafschriften van de

ING-rekening is gebleken dat hij in de periode in geding slechts voor een bedrag van in totaal € 76,26 heeft gepind in supermarkten en geen contant geld heeft opgenomen. Nu uit de bankafschriften niet blijkt hoe appellant zijn dagelijkse boodschappen heeft betaald, ligt het op zijn weg om hierover helderheid te verschaffen (vergelijk de uitspraken van 16 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3029, en van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3174).

4.3.2.

Appellant heeft in bezwaar, zoals nader toegelicht in beroep en hoger beroep, alsnog een verklaring gegeven over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorzag. Deze verklaring komt erop neer dat toen zijn moeder nog leefde, appellant uitjes en pleziertjes voor haar verzorgde en met haar op vakantie ging, dat hij door haar overlijden emotioneel ontwricht was en daardoor kluizenaarsgedrag vertoonde en dat om die reden zijn uitgavenpatroon van vóór het overlijden van zijn moeder verschilde van dat van daarna.

4.3.3.

Hoewel een objectieve en verifieerbare onderbouwing van deze verklaring ontbreekt, kan niet worden gezegd dat deze verklaring, zoals het college heeft aangenomen, volstrekt onaannemelijk is, laat staan dat de conclusie gerechtvaardigd is dat appellant een onbekende bron van inkomsten moet hebben gehad. Appellant heeft in augustus 2010 een bedrag van

€ 10.000,- van de ING-rekening opgenomen. Hij had sindsdien geen (bijstands)uitkering en woonde bij zijn moeder, die wel een inkomen had in de vorm van een pensioen van ongeveer € 1.200,- per maand. In zijn in 1.2.1 genoemde brief van 29 maart 2011 heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij bezig was zijn geld op te maken en bij zijn aanvraag in november 2012 dat hij geen vermogen meer had. Gelet op de tijdspanne tussen de opname in augustus 2010 en de aanvraag in november 2012, is het niet onaannemelijk dat appellant heeft ingeteerd op het in 2010 opgenomen bedrag van € 10.000,- en dat daarvan in november 2012 nog ongeveer € 1.000,- resteerde. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting erkend dat de beschikbare gegevens geen concrete aanknopingspunten bevatten om aan te nemen dat appellant in november 2012 meer contant geld in zijn bezit had dan het door hem genoemde bedrag van € 1.000,-. Uitgaande van dit bedrag lagen de gemiddelde maandelijkse uitgaven voor levensonderhoud van appellant weliswaar ruim beneden de daarvoor vastgestelde bedragen van het Nibud, maar appellant heeft een plausibele verklaring gegeven voor zijn gestelde, sobere uitgavenpatroon na het overlijden van zijn moeder in november 2012. Verder heeft appellant een plausibele verklaring gegeven voor het verschil in zijn uitgavenpatroon in de periode vóór het overlijden van zijn moeder en in de periode daarna. Hierbij moet overigens in aanmerking worden genomen dat het bedrag van € 500,- dat appellant volgens het college maandelijks gemiddeld moet hebben uitgegeven in de periode van augustus 2010 tot november 2012, niet is gebaseerd op een feitelijke berekening van de uitgaven van appellant in die periode, maar op een theoretische berekening op basis van het totale vermogen van appellant in augustus 2010.

4.3.4.

De beschikbare gegevens bevatten geen enkel concreet aanknopingspunt voor de conclusie dat appellant in de periode in geding, naast de bijstand, een andere inkomstenbron heeft gehad. Ondanks de plausibele verklaring van appellant over de wijze waarop hij in de periode in geding in zijn levensonderhoud heeft voorzien, heeft het college in bezwaar niettemin nagelaten nader onderzoek te verrichten naar het bestaan van een onbekende inkomstenbron van appellant in die periode, terwijl dat wel was aangewezen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat bestreden besluit 1 niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

Boete

4.5.

Wat is overwogen in 4.4 geldt ook voor bestreden besluit 2, zoals gewijzigd bij het nader besluit, wat de hoogte van de boete betreft. Dit besluit berust immers op dezelfde grondslag als bestreden besluit 1.

Slotoverwegingen

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.3.1 tot en met 4.5 is overwogen niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door de besluiten van

15 november 2013 en 7 januari 2014 te herroepen. Aan deze besluiten kleven immers dezelfde gebreken als aan de bestreden besluiten en het is niet aannemelijk dat deze gebreken door het college kunnen worden geheeld.

Proceskosten

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar (1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar tegen het besluit van 15 november 2014), € 495,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen bestreden besluit 1; voor het bijwonen van de zitting heeft de rechtbank al een punt toegekend voor de boetezaak) en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 april 2014 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept de besluiten van 15 november 2013 en 7 januari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak

in de plaats treedt van het besluit van 14 april 2014 onderscheidenlijk het door de rechtbank

vernietigde besluit van 29 april 2014, zoals gewijzigd, wat de hoogte van de boete betreft, bij

besluit van 7 juli 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C.A.E. Bon

HD