Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
15/3549 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Schending inlichtingenplicht door perceel op naam in Suriname niet te melden., Ongeacht waarde van het perceel. Beroep op matiging / onevenredigheid slaagt niet. Motivering brutering.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3549 WWB, 15/3550 WWB en 15/7442 PW

Datum uitspraak: 31 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2015, 14/4817 en 14/5181 (aangevallen uitspraak 1) en 18 september 2015, 15/3438 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Boukich, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Namens appellanten is mr. I. Car, opvolgend advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 8 oktober 2004 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een schriftelijke anonieme tip van 10 juli 2012, waarin onder andere wordt vermeld dat appellanten twee woningen in Suriname bezitten, heeft het college onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Op 24 juli 2012 heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar vermogen van appellanten in Suriname. In dat kader heeft de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Paramaribo (attaché) openbare registers geraadpleegd en hebben twee taxateurs ieder één op naam van appellant staand perceel met woning getaxeerd. Uit het onderzoek komt naar voren dat appellant sinds 22 juli 1987 een perceel met woonhuis op de hoek van de [adres] in het district [district] op zijn naam heeft staan met een op 16 november 2012 getaxeerde waarde van in totaal € 78.197,40. Het perceel is bezwaard met het levenslange recht van vruchtgebruik door de ouders van appellant. Verder heeft appellant sinds 15 juni 2009 een perceel met woonhuis aan de [adres 2] in het district [district] op zijn naam staan met een op 4 december 2012 getaxeerde waarde van in totaal € 70.000,-. Op 13 december 2013 zijn appellanten ieder afzonderlijk door de sociale recherche van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 28 februari 2013 en 2 januari 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 27 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juli 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 4 december 2012 in te trekken. Bij besluit van 28 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college de over de periode van 4 december 2012 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.902,35 (waarvan € 18.041,92 bruto in 2012 en 2013 en € 3.860,43 netto in 2014) van appellanten teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van het perceel met woonhuis aan de [adres 2] met een getaxeerde waarde van in totaal € 70.000,-. Appellanten beschikten over vermogen boven de voor hen geldende grens van vrij te laten vermogen met als gevolg dat zij geen recht op bijstand hadden.

1.4.

Bij besluiten van 7 januari 2015 heeft het college appellanten ieder afzonderlijk meegedeeld dat zij in 2014 te veel bijstand hebben ontvangen, dat dit van appellanten is teruggevorderd en dat in de beschikkingen staat hoeveel zij moeten terugbetalen. Verder is meegedeeld dat op 31 december 2014 nog niet het hele over 2014 teruggevorderde bedrag is terugbetaald. Er resteert een vordering van € 1.428,55. Dit bedrag wordt verhoogd met de door de gemeente [woonplaats] afgedragen loonheffing ten bedrage van € 201,94, zodat de vordering over 2014 thans € 1.630,49 bedraagt. Bij besluit van 22 mei 2015 (bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 7 januari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1: intrekking en terugvordering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 4 december 2012 tot en met 31 maart 2014.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten in de periode in geding in het bezit waren van een perceel aan de [adres 2] te Suriname en dat zij daarvan geen melding hebben gemaakt bij het college.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat ten tijde van de aankoop van het perceel de aankoopprijs onder de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen lag en van hen niet mocht worden verlangd op de hoogte te blijven van de waardestijging van het perceel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat het perceel op naam stond van appellant is onmiskenbaar van belang voor de verlening en voortzetting van de bijstand. Dat, zoals appellanten hebben gesteld, de aankoopprijs onder de voor appellanten geldende grens van vrij te laten vermogen lag, doet aan hun inlichtingenverplichting niet af. Het is immers aan het college om vast te stellen wat op dat moment de omvang van het vermogen van appellanten was. Daarbij diende het college ook vast te stellen wat de marktwaarde was van het perceel en of de aankoopprijs een marktconforme prijs was, nu het perceel binnen de familie werd overgedragen. Voor zover bij appellanten twijfel bestond over het belang van de aankoop van het perceel voor de voortzetting van de verleende bijstand, hadden zij hierin aanleiding moeten zien contact op te nemen met het college. Door geen mededeling te doen van het bezit van de onroerende zaak hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Dit betekent dat het aan appellanten is aannemelijk te maken dat hun vermogen in de periode in geding niet boven de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen uitkwam.

4.5.

Het college heeft aan de vaststelling van de waarde van het onroerend goed op € 70.000,- een taxatierapport van C.H. Mehciz van 4 december 2012 ten grondslag gelegd. Appellanten hebben de juistheid van dit taxatierapport betwist en gesteld dat de taxateur ten onrechte heeft aangenomen dat op het perceel een woonhuis staat. Ter onderbouwing hebben zij een taxatierapport van [naam A] ([A]) van 19 mei 2014 ingebracht alsmede een verklaring van 10 oktober 2014 waarin [A] heeft bevestigd dat het perceel onbebouwd is.

4.6.

Ook indien wordt uitgegaan van het door appellanten ingebrachte taxatierapport van [A], hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat hun vermogen onder de voor hen op

4 december 2012 geldende vermogensgrens van € 11.370,- lag. Voor de vaststelling van het vermogen dient bij de waardebepaling van onroerend goed te worden uitgegaan van de reële marktwaarde van het perceel. In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is immers bepaald dat de waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering. De reële marktwaarde van het perceel is door [A] getaxeerd op € 35.274,50. Rekening houdend met het op 24 augustus 2012 door het college vastgestelde vermogen van appellanten op € 4.885,95, resteerde voor appellanten een vrij te laten vermogen van € 6.484,05. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan bij de vaststelling van het vermogen geen rekening worden gehouden met de waarde van de op 13 augustus 2012 tijdens een huisbezoek aangetroffen zangvogels en van de auto waarvan uit het onderzoek bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer was gebleken dat deze op naam van appellant stond. Het college heeft ter zitting namelijk verklaard dat met de waarde van de zangvogels en de auto al rekening is gehouden bij de vaststelling van het vermogen op 24 augustus 2012. Bij de vermogensvaststelling dient derhalve slechts te worden uitgegaan van de waarde van het perceel. De waarde van het perceel zoals getaxeerd door [A] ligt ruim boven het voor appellanten geldende bedrag van het vrij te laten vermogen.

4.7.

Appellanten kunnen niet gevolgd worden in hun stelling dat de waarde van hun vermogen niet hoger was dan de voor hen geldende vermogensgrens omdat zij schulden hebben. Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Appellanten zijn daar niet in geslaagd. De door appellanten overgelegde schuldverklaring tussen appellant en zijn schoonvader [naam schoonvader] ter hoogte van € 5.000,- betreft een schuld aan een familielid en bevat geen daadwerkelijke en concrete aflossingsverplichting. De door appellanten overgelegde overeenkomst van geldlening tussen appellant en [naam B] ter hoogte van € 9.000,- bevat evenmin een concrete aflossingsverplichting. De door appellanten gestelde schuld aan hun dochter van € 2.100,- is op geen enkele wijze onderbouwd. Bij de vaststelling van het vermogen van appellanten kan dan ook geen rekening worden gehouden met de door appellanten gestelde schulden.

4.8.

Ook de stelling dat rekening moet worden gehouden met de aankoopkosten van het perceel kan niet worden gevolgd, omdat ingevolge artikel 34 van de WWB geen plaats is voor het verminderen van de waarde van de bezittingen met deze kosten.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij, indien zij destijds wel aan de wettelijke inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand zouden hebben gehad.

4.10.

Appellanten hebben met een beroep op de uitspraken van 21 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH9423) en 28 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI3538) aangevoerd dat het college het bedrag van de terugvordering had moeten matigen. Deze grond slaagt niet. Uit 4.8 volgt dat het college ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, gehouden was de bijstand van appellanten met ingang van 4 december 2012 in te trekken. Daarmee is tevens gegeven dat het college ingevolge

artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, gehouden was de gemaakte kosten van de aan appellanten over de periode van 4 december 2012 tot en met 31 maart 2014 verleende bijstand terug te vorderen. Tot matiging van het teruggevorderde bedrag was het college dan ook niet bevoegd. Voor zover appellanten hebben bedoeld te betogen dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet evenredig is aan de omvang van het door hen verzwegen vermogen, slaagt dit betoog niet, reeds omdat het bedrag van de terugvordering lager is dan het in aanmerking te nemen vermogen van appellanten. Dit bedrag kan, zoals uiteengezet in 4.6 - zelfs indien [A] wordt gevolgd -, worden vastgesteld op

€ 35.274,50 minus € 6.484,05.

Aangevallen uitspraak 2: brutering terugvordering over 2014

4.11.

In het besluit tot terugvordering van 28 maart 2014 heeft het college appellanten meegedeeld dat de ten onrechte gemaakte kosten van de aan appellanten verleende bijstand van hen beiden worden teruggevorderd en dat zij ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige terugbetaling. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college appellanten afzonderlijk kunnen aanspreken op het over 2014 gebruteerde bedrag van € 1.630,49. Van een door appellanten gesteld onzorgvuldig handelen door het college, door appellanten ieder afzonderlijk een bruteringsbesluit toe te sturen, is dan ook geen sprake.

4.12.

De stelling van appellanten, dat het college al in de bruteringsbesluiten tot nadere onderbouwing van de brutering had moeten overgaan, is onjuist. In de besluiten van 7 januari 2015 staat vermeld dat het over 2014 terug te betalen resterende bedrag van € 1.428,55 wordt verhoogd met een bedrag van € 201,94 aan belasting en premies (loonheffing). Daarmee heeft het college de brutering van de terugvordering voldoende gemotiveerd. Appellanten hebben eerst in hoger beroep gevraagd om een toelichting op de berekening van de loonheffing. Het college heeft deze toelichting in een nader stuk van 25 november 2016 gegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten verklaard dat de gegeven onderbouwing duidelijk is. Van onzorgvuldige besluitvorming is dan ook geen sprake.

In beide zaken

4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze, gelet op 4.6 met verbetering van de gronden, zal worden bevestigd. Uit 4.11 en 4.12 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Mansourova

HD