Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
16/4085 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het subsidiair verleende ongeschiktheidsontslag is gebaseerd op de contacten van appellant met personen met criminele antecedenten of personen die lid zijn van Satudarah. Nu er geen plichtsverzuim is vastgesteld op het punt van contacten met personen met criminele antecedenten of met leden van Satudarah, ontvalt deze grondslag aan het oordeel van de minister dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. Dat appellant, zoals de minister bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, de juiste grondhouding zou missen kan bij gebrek aan een feitelijke grondslag dus niet gevolgd worden. Vernietiging besluit voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard tegen het ongeschiktheidsontslag. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 28 januari 2015 herroepen voor zover hierbij subsidiair ontslag is verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR. De minister wordt opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen tegen het besluit van 28 januari 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4085 AW

Datum uitspraak: 9 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

4 mei 2016, 15/2050 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.I. Feenstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Op het verzoek van de Raad om nadere inlichtingen heeft mr. R.M. Koene namens de minister aanvullende stukken ingezonden.

Mr. Feenstra heeft de hoger beroepsgronden aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Feenstra. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Koene, J. Huizer en J.C. Wanders.


OVERWEGINGEN

1. Appellant werkte vanaf 1 augustus 2000 bij de [PI] (PI), laatstelijk als [functie] . Naar aanleiding van informatie die naar voren kwam bij een disciplinair onderzoek naar een collega van appellant, heeft het bevoegd gezag het Bureau Integriteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verzocht ook onderzoek te doen naar appellant. Hiervan is een onderzoeksrapport opgemaakt, gedateerd 25 september 2014. Na een daarop gericht voornemen en een aanvullend voornemen, waarover appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de minister appellant bij besluit van 28 januari 2015 primair met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Subsidiair heeft hij appellant ontslag verleend als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR. De minister heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van

12 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan appellant zijn met name de volgende, als plichtsverzuim geduide gedragingen verweten:

  1. het onderhouden van contact met leden van de 1% motorclub Satudarah (Satudarah) en met personen met criminele antecedenten, die gedetineerd zijn geweest of zijn gedetineerd en het niet melden van deze contacten;

  2. zich niet onthouden van nevenwerkzaamheden met een (mogelijk) veiligheidsrisico en het niet melden van de specifieke aard van deze werkzaamheden;

  3. het afleggen van tegenstrijdige verklaringen dan wel niet de (volledige) waarheid vertellen over zijn werk bij beveiligingsbureau N, zijn sympathieën voor Satudarah , de aan een gedetineerde gegeven klap en de aard van zijn verboden contact met onder meer PR, RM en LK.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor de rechtbank stond vast dat appellant verboden contacten onderhield met ES en PR, personen met criminele antecedenten respectievelijk in detentie en dat hij deze contacten niet had gemeld. Omdat de rechtbank voor dit plichtsverzuim de straf van disciplinair ontslag niet onevenredig achtte, heeft zij de overige aan appellant verweten plichtsverzuimen niet meer beoordeeld.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak
4.1. Appellant wordt niet gevolgd in zijn opvatting dat er onvoldoende reden was om onderzoek naar hem te doen en in dit kader politiegegevens op te vragen. Ook nadat was gebleken dat niet appellant, maar iemand die op hem lijkt in een televisie-uitzending als lid van Satudarah in beeld was gekomen, gaven de bevindingen van het onderzoek naar plichtsverzuim van het hoofd complexbeveiliging van de PI voldoende reden om het onderzoek naar appellant voort te zetten. In dit verband wordt gewezen op de vragen over een getuigenverklaring van appellant en op de inhoud van de registraties van de politie van

29 december 2012 en 24 februari 2013. Deze hoger beroepsgrond slaagt niet.

4.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel kan leiden is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997 en TAR 2012/35) noodzakelijk dat op basis van beschikbare deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.3.

Nu appellant het door de rechtbank aanvaarde plichtsverzuim betwist, zal de Raad in de eerste plaats beoordelen of hij het oordeel van de rechtbank kan volgen dat de contacten met ES, een broer van appellant, en met PR, een vriend van appellants thuiswonende zoon N, plichtsverzuim oplevert. De minister heeft zijn standpunt hierover gebaseerd op punt 5 van de Gedragscode DJI (gedragscode). Onder de kop ‘Verboden contacten’ is in de gedragscode het volgende vermeld:
“Het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele is niet toegestaan. Een relatie met een ex-justitiabele is niet toegestaan, tenzij uit de aard en de duur van de relatie blijkt dat de veiligheid van de medewerker en de collega’s niet in gevaar wordt gebracht. Om de problemen te voorkomen is openheid nodig om in overleg een goede afweging te kunnen maken. Mocht een relatie ontstaan dan ben je verplicht dit te melden. Als je een relatie hebt met een justitiabele die voor de aanvang van de detentie is ontstaan, dan moet je dit melden bij het bevoegd gezag. Dit geldt ook voor een relatie met iemand uit de privé-kring van een (ex-)justitiabele. (….) Je hebt ook meldplicht wanneer iemand uit je privé-kring wordt ingesloten. Je ziet: integriteit en veiligheid wegen zwaar. Blijf professioneel en meld tijdig als je denkt dat er een relatie kan ontstaan of sprake is van een verboden contact. Zo voorkom je problemen voor jezelf en de ander en zorg je dat de reputatie van DJI niet wordt aangetast.”
De minister heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat met een (ex-)justitiabele gedoeld wordt op personen die gedetineerd zijn of zijn geweest en dat niet elk contact met een (ex-)justitiabele een verboden contact is. Het moet gaan om een meer dan oppervlakkig contact.

4.4.

De Raad heeft al eerder aanvaard dat de minister contacten van medewerkers van een penitentiaire inrichting met (ex-)justitiabelen dan wel het niet melden daarvan als plichtsverzuim aanmerkt. Zie onder meer de uitspraak van 19 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4529 en TAR 2009/111. Beoordeeld moet worden of de contacten van appellant met ES en PR kunnen worden aangemerkt als verboden contacten met (ex-)justitiabelen en of appellant wist dat het om zulke contacten ging, zodat hij die bij zijn leidinggevende had moeten melden. Gelet op de uitleg die de minister heeft gegeven aan de term (ex-)justitiabele in de gedragscode, zal de Raad bij zijn oordeelsvorming voorbijgaan aan antecedenten in de uittreksels van de Justitiële Documentatie (JD) die geen betrekking hebben op detentie, ook al heeft de minister in het bestreden besluit onder meer veroordelingen tot een geldboete of werkstraf eveneens als (criminele) antecedenten bestempeld en als reden voor de aanwezigheid van plichtsverzuim aangemerkt. Indien een betrokkene in voorarrest heeft gezeten maar niet is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, kan hij ook niet worden aangemerkt als (ex-)justitiabele in de zin van de gedragscode. Zo’n voorarrest kan eventueel wel leiden tot een meldplicht.

4.4.1.

Appellant heeft consequent ontkend dat hij iets wist van een strafblad van ES. ES heeft in een door hem ondertekende verklaring van 26 september 2016 vermeld dat hij met appellant nooit over zijn antecedenten heeft gesproken. Het door de minister in hoger beroep ingezonden uittreksel uit de JD vermeldt, voor zover hier relevant, alleen een veroordeling van ES in 1989 tot negen maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Tegenover de ontkenning van appellant heeft de minister alleen gesteld dat die niet aannemelijk is vanwege de familierelatie. De rechtbank heeft deze opvatting van de minister overgenomen. De Raad kan de rechtbank en de minister niet volgen. De familierelatie tussen ES en appellant levert onvoldoende grond op voor de overtuiging dat hij bekend was met de

- relatief korte - detentie van ES. Nu de minister geen enkel aanvullend gegeven heeft ingebracht om die bekendheid aannemelijk te maken, heeft de minister appellant wat betreft ES ten onrechte overtreding van de gedragscode verweten.

4.4.2.

Ten aanzien van PR komt uit de gedingstukken naar voren dat hij als vriend van de zoon van appellant ook bij appellant thuis kwam. In het uittreksel uit de JD, voor zover hier relevant, is vermeld dat de kinderrechter PR in 2007 veroordeeld heeft tot 21 dagen jeugddetentie waarvan tien dagen voorwaardelijk. Appellant heeft ontkend dat hij op de hoogte was van criminele antecedenten van PR. Van diens insluiting op 19 september 2013 wegens een schietincident, waarvan appellant naar eigen zeggen wist uit een krantenbericht, heeft hij naar zijn zeggen geen melding gedaan omdat PR niet in de PI maar elders was ingesloten. In een telefoontap van 8 augustus 2013 is een kort gesprek tussen appellant en PR geregistreerd, waarbij het initiatief van appellant is uitgegaan. Op zijn mobiele telefoon zijn dertien telefooncontacten met de telefoon van PR aangetroffen. Daarover heeft appellant aangevoerd dat zijn zoon N regelmatig zijn telefoon gebruikte omdat N zelf onvoldoende saldo had. Appellant heeft de juistheid, waaronder de volledigheid, van de telefoontap ter discussie gesteld en aangevoerd dat hij geen nauwe banden onderhield met PR. In een door hem ondertekende verklaring van 23 september 2016 heeft N vermeld in 2013 verschillende keren de telefoon van appellant gebruikt te hebben en dit ook op 8 augustus 2013 te hebben gedaan om met PR te bellen.

4.4.3.

Uit niets blijkt dat appellant bekend was met de jeugddetentie van PR in 2007. Bovendien heeft appellant van 2000 tot 2009 in [gemeente] gewoond, terwijl gegevens over de relatie tussen N en PR in die periode ontbreken. De Raad ziet daarom geen grond voor de conclusie dat tot diens insluiting op 19 september 2013 het contact met PR of het niet melden daarvan plichtsverzuim opleverde. Op grond van de gedragscode moest appellant zijn leidinggevende wel inlichten toen hij op de hoogte raakte van de insluiting van PR. PR kwam immers bij appellant thuis en was daarom iemand uit zijn privékring. Het feit dat appellant en PR op 8 augustus 2013 telefonisch contact hebben gehad wijst hier ook op. Het niet melden van het contact met PR na diens insluiting levert dus plichtsverzuim op.

4.4.4.

Gelet op het voorgaande kan het oordeel van de rechtbank over het plichtsverzuim met betrekking tot ES en over de omvang van het plichtsverzuim met betrekking tot PR niet worden gevolgd. In zoverre slaagt het hoger beroep. De Raad zal nu de andere bij het bestreden besluit gehandhaafde plichtsverzuimen bespreken.


De contacten met anderen dan ES en PR met criminele antecedenten
4.5. De contacten met anderen dan ES en PR en het niet melden daarvan betroffen mannen die, blijkens politieregistraties van 29 december 2012 en/of 24 februari 2013, in gezelschap van appellant zijn gesignaleerd.

4.5.1.

Ten aanzien van LK, RM en PS volstaat de Raad met de vaststelling dat de uittreksels uit de JD bij geen van hen een veroordeling tot een vrijheidsstraf of een preventieve hechtenis vermelden.

4.5.2.

FN, een neef van appellant, is blijkens het uittreksel uit de JD, voor zover dat de periode betreft na de indiensttreding van appellant bij DJI, in 2008 in preventieve hechtenis genomen en is in 2009 tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld. Het uittreksel uit de JD vermeldt over DH dat hij vanaf 11 oktober 2011 enige maanden in preventieve hechtenis heeft gezeten en nadien is vrijgesproken. Nu er geen gegevens zijn die aannemelijk maken dat appellant, ondanks zijn ontkenning van bekendheid met de antecedenten van FN en DH, daar toch van wist, kan die bekendheid niet worden aangenomen.

4.5.3.

Over JH is in het uittreksel uit de JD opgenomen dat hij in maart 2014 in preventieve hechtenis is genomen en in juli 2014 tot gevangenisstraf is veroordeeld. Gelet op appellants ontkenning van bekendheid met antecedenten van JH en de afwezigheid van enig gegeven waaruit die bekendheid toch blijkt, kan die niet worden aangenomen. De Raad voegt hier nog aan toe dat aan de veroordeling van JH in juli 2014 ook geen betekenis toekomt, nu appellant vanaf 26 mei 2014 de toegang tot de PI was ontzegd en deze ontzegging doorliep tot de ontslagdatum. Tijdens zo’n toegangsverbod kan niet worden verwacht dat contacten als bedoeld in de gedragscode worden gemeld. Voor de in juni 2014 aan DT opgelegde gevangenisstraf geldt hetzelfde als hiervoor over de veroordeling van JH is vermeld. Met betrekking tot JU volstaat de Raad met de vaststelling dat de gegevens over een veroordeling in Duitsland tot gevangenisstraf in 1999 en de vermelding dat deze per 13 oktober 2010 is verjaard geen duidelijkheid geven over wat feitelijk heeft plaatsgevonden en dat appellant bekendheid hiermee heeft ontkend. De minister heeft ten slotte geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat PT gedetineerd is geweest.

4.5.4.

Anders dan waarvan in het bestreden besluit is uitgegaan, is dus niet aannemelijk gemaakt dat de contacten van appellant met LK, RM, PS, FN, DH, JH, DT, JU en PT zijn aan te merken als contacten met (ex-)justitiabelen waarvan appellant wist dat het ging om zulke contacten. Van plichtsverzuim bestaande uit overtreding van punt 5 van de gedragscode is in zoverre dus geen sprake.


De contacten met leden van Satudarah

4.6.

Enkele van de eerder vermelde personen, onder wie ES, waren lid van Satudarah of onderhielden betrekkingen met leden ervan. De contacten van appellant met deze personen respectievelijk het niet melden van die contacten zijn in het bestreden besluit als plichtsverzuim gehandhaafd. Als grondslag voor dit plichtsverzuim ziet de minister de Circulaire Ongewenste privécontacten rijksambtenaren van 23 juli 2013 (Staatscourant 2013, 21530; circulaire) over onder meer contact van ambtenaren met personen die min of meer structureel normen en wetten overtreden of met verenigingen waarvan de leden min of meer structureel normen en wetten overtreden. De aanleiding voor de circulaire was het kabinetsstandpunt over de verenigbaarheid van het ambtenaarschap met een lidmaatschap van een zogenaamde outlaw bikers motorclub of 1% motorclub.

4.6.1.

Naar aanleiding van de stelling van appellant dat deze circulaire niet binnen de PI bekend is gemaakt, heeft de minister het standpunt ingenomen dat appellant evenals eenieder geacht wordt de wet te kennen. Bovendien is de circulaire volgens de minister een verbijzondering van punt 5 van de gedragscode.

4.6.2.

De circulaire, afkomstig van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, is gericht aan de bevoegde gezagen van de ambtelijke diensten van de sector Rijk. De geadresseerden wordt verzocht uitvoering te geven aan de inhoud van deze circulaire en daaraan actief bekendheid te geven in hun organisatie(onderdeel). In artikel 12c van het ARAR is voorgeschreven dat de schriftelijk vastgelegde regelingen en instructies die de ambtenaar behoort na te leven en de regelingen betreffende zijn rechtspositie ter inzage worden gelegd op een toegankelijke plaats. Over belangrijke wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar periodiek op de hoogte gesteld. In artikel 52 van het ARAR is neergelegd dat een ambtenaar ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, geen voordelen worden onthouden of nadelen toegebracht.

4.6.3.

De Raad ziet geen grond om het standpunt van de minister te volgen dat appellant geacht moet worden de circulaire te kennen. De circulaire is immers niet in overeenstemming met artikel 12c van het ARAR in de PI bekendgemaakt en het bevoegd gezag van de ambtelijke dienst van betrokkene heeft de inhoud van de circulaire ook niet op andere wijze bekendgemaakt. Artikel 52 van het ARAR vormt daarom een beletsel om ten nadele van appellant betekenis toe te kennen aan de inhoud van de circulaire. Punt 5 van de gedragscode is expliciet beperkt tot contacten met personen die gedetineerd zijn (geweest). Daarom kan daarin niet een algemeen contactverbod met leden van Satudarah begrepen worden. De minister wordt dus niet gevolgd in zijn opvatting dat de circulaire een verbijzondering is van punt 5 van de gedragscode. Dit betekent dat de minister ten onrechte ervan is uitgegaan dat voor appellant een regel gold die inhield dat het deel uitmaken van of het onderhouden van contacten met (leden van) een motorclub als Satudarah ongewenst is en gemeld behoort te worden.

4.6.4.

Omdat de minister het enkele bestaan van het contact met enkele leden van Satudarah en personen die betrekkingen onderhielden met leden van Satudarah als plichtsverzuim heeft aangemerkt en niet ook bijvoorbeeld bepaalde concrete gedragingen van appellant in relatie met een of meer van die personen, brengt het onder 4.6.3 gegeven oordeel al mee dat appellant ten onrechte het hier bedoelde plichtsverzuim wordt verweten.


Nevenwerkzaamheden

4.7.

Het plichtsverzuim, bestaande uit het zich niet onthouden van nevenwerkzaamheden met een (mogelijk) veiligheidsrisico en het niet melden van de specifieke aard van deze werkzaamheden, heeft betrekking op de werkzaamheden van appellant voor beveiligingsbedrijf I. In de gedragscode is onder punt 6 over het melden van nevenwerkzaamheden vermeld dat werk met een verhoogd risico om met strafbare feiten in aanraking te komen, zoals de beveiligingsbranche, op voorhand als conflicterend wordt gezien met functies bij DJI en altijd moet worden gemeld. Binnen de PI geldt, zoals de minister heeft aangegeven, het beleid dat werk in de beveiliging gedoogd wordt mits de ambtenaar selectief is. Dat appellant naast zijn werk in de PI altijd al beveiligingswerk verrichtte was bekend en zijn nevenwerkzaamheden kwamen onder meer ter sprake in de personeelsgesprekken van 2012 en 2013. Bij die gelegenheden is niet gesproken over de namen van de beveiligingsbedrijven waar appellant werkte. In het verslag van het personeelsgesprek van 2013 is genoteerd dat appellant de belangen tussen extern en PI zuiver en strikt gescheiden zou houden en dat hij bij bijzonderheden open zou communiceren. De reden voor de minister om appellant plichtsverzuim te verwijten is gelegen in de omstandigheid dat beveiligingsbedrijf I werkzaam was in een omgeving die bij de politie als crimineel bekend staat dan wel gelieerd is met Satudarah . De Raad kan de minister hierin niet volgen. De minister heeft niet gesteld dat appellant op de hoogte was van de desbetreffende

politie-informatie en heeft appellant ook geen concrete (deelname aan) criminele activiteiten in het kader van zijn beveiligingswerk verweten. Verder kunnen banden van het beveiligingsbedrijf met Satudarah , gelet op de overwegingen onder 4.6.3, appellant evenmin worden tegengeworpen. Met betrekking tot de nevenwerkzaamheden is appellant dus ten onrechte plichtsverzuim verweten.

Tegenstrijdige verklaringen en niet de volledige waarheid vertellen

4.8.1.

Appellant wordt verweten dat hij bij het onderzoek door het Bureau Integriteit heeft ontkend dat hij ook heeft gewerkt voor beveiligingsbureau N, terwijl appellant bij twee andere gelegenheden verklaard heeft dat hij voor dat bedrijf werkte. Appellant heeft tijdens de procedure bij de rechtbank toegelicht dat het werk voor beveiligingsbedrijf N, een bedrijf dat maar ongeveer twee jaar heeft bestaan, door middel van inhuur door U verliep. Uit deze toelichting, die de minister niet heeft bestreden, blijkt dat appellant de aan hem gestelde vragen in eerste instantie onvolledig heeft beantwoord. Gezien de veelheid van feiten en omstandigheden waarover de onderzoekers appellant vragen stelden, verdient deze onvolledigheid evenwel niet de kwalificatie van strafwaardig plichtsverzuim.

4.8.2.

Het verwijt van tegenstrijdige dan wel niet geheel juiste verklaringen over de sympathieën van appellant voor Satudarah liggen in het verlengde van het onder 4.6 besproken plichtsverzuim. Gezien het oordeel onder 4.6.4 is ook op dit punt geen sprake van plichtsverzuim.

4.8.3.

Tijdens het onderzoek naar plichtsverzuim van het hoofd complexbeveiliging is gebleken dat aan een gedetineerde een klap is gegeven. Appellant heeft naar aanleiding daarvan als getuige verklaard dat hij die klap gaf. Hij heeft ontkend dat het hoofd complexbeveiliging de klap heeft gegeven en heeft ook gezegd dat hij niet heeft gezien dat het hoofd complexbeveiliging de gedetineerde heeft geslagen. Het hoofd complexbeveiliging en W hebben het tegenovergestelde verklaard. Omdat er geen ander bewijs van de gebeurtenis is dan de verklaringen van appellant, het hoofd complexbeveiliging en W en de Raad geen objectieve reden ziet om bijzondere betekenis te hechten aan de verklaring van een van deze drie personen, ontbreken gegevens waaruit de overtuiging kan worden verkregen dat appellant niet de waarheid heeft gesproken. Ook op dit punt kan de Raad daarom geen plichtsverzuim vaststellen.

4.8.4.

Het voorgaande brengt mee dat strafwaardig plichtsverzuim bestaande uit het afleggen van tegenstrijdige verklaringen en het niet vertellen van de volledige waarheid over de hier genoemde onderwerpen niet kan worden vastgesteld.


De evenredigheid van de straf
4.9. Het thans resterende plichtsverzuim bestaat uit het niet melden van de contacten van appellant met PR na kennisname van diens insluiting op 19 september 2013. Er is geen grond voor het oordeel dat dit plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. Niet kan worden gezegd dat dit plichtsverzuim niet ernstig is. Het betrof immers een insluiting vanwege de verdenking van een ernstig misdrijf, terwijl PR iemand uit de privékring van appellant was en zijn zoon het contact met PR tijdens diens voorarrest voortzette. De disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag, die bij het bestreden besluit is gehandhaafd, is echter onevenredig aan de aard en ernst van dit plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt mee dat appellant zelf geen verboden contact met PR heeft gehad en PR toch primair een contact van zijn zoon was. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het bezwaar tegen het disciplinaire ontslag ongegrond is verklaard.


Het ongeschiktheidsontslag

4.10.

Het subsidiair verleende ongeschiktheidsontslag is gebaseerd op de contacten van appellant met personen met criminele antecedenten of personen die lid zijn van Satudarah . Hierdoor komen, aldus de minister, appellants betrouwbaarheid en integriteit in het geding en ontbreekt bij hem de mentaliteit, de eigenschappen en instelling voor het op goede wijze vervullen van de functie van [functie] . Nu er blijkens het onder 4.5.4 en 4.6.4 overwogene geen plichtsverzuim is vastgesteld op het punt van contacten met personen met criminele antecedenten of met leden van Satudarah , ontvalt deze grondslag aan het oordeel van de minister dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. Dat appellant, zoals de minister bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, de juiste grondhouding zou missen kan bij gebrek aan een feitelijke grondslag dus niet gevolgd worden. Het bestreden besluit zal daarom tevens vernietigd worden voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard tegen het ongeschiktheidsontslag.

4.11.

Omdat de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten, komt ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Het besluit van 28 januari 2015 vertoont wat het ongeschiktheidsontslag betreft hetzelfde gebrek als het bestreden besluit. Omdat het onder 4.9 vermelde resterende plichtsverzuim niet een tekortkoming is die appellant ongeschikt maakt voor zijn functie van senior complexbeveiliger, kan dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar worden hersteld. Daarom zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het besluit van 28 januari 2015 herroepen voor zover hierbij subsidiair ontslag is verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en

onder g, van het ARAR.


Tot slot

4.12.

De Raad ziet geen mogelijkheid tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik, omdat het primair de bevoegdheid van de minister is om te beslissen welk gevolg hij wil verbinden aan het onder 4.9 vermelde plichtsverzuim. De minister wordt opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen tegen het besluit van 28 januari 2015. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door de minister te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
4.13. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 994,32 aan kosten van rechtsbijstand en reiskosten in beroep en op € 1.012,52 aan kosten van rechtsbijstand en reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve

€ 2.006,84.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 juni 2015;
- herroept het besluit van 28 januari 2015, voor zover daarbij ontslag wegens ongeschiktheid

is verleend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

28 januari 2015, voor zover daarbij de maatregel van disciplinair ontslag is opgelegd;
- bepaalt dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden

ingesteld;
- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 418,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.006,84.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.L. van den IJssel

HD