Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
15-4452 WWB-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2018:560 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2017:3960.

Herziening bijstand. Geen afstemming van de norm alleenstaande naar co-ouder norm. Appellant is geen co-ouder, want er is sprake van een omgangsregeling. Bij de herziening naar alleenstaande norm is onvoldoende rekening gehouden met gewenningsperiode van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4452 WWB-G

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 mei 2015, 14/3815 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 14 november 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Bekkum. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is vader van twee kinderen. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van

4 september 2009 is de verdeling van de verzorgings- en opvoedingstaken tussen appellant en de moeder van de kinderen aldus vastgesteld dat de kinderen eenmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot maandagochtend aanvang schooltijd en iedere woensdagmiddag vanaf einde schooltijd tot donderdagochtend aanvang schooltijd bij appellant zullen verblijven.

1.2.

Het college heeft appellant met ingang van 7 november 2010 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij de hoogte van de bijstand is afgestemd wegens co-ouderschap. Appellant werd vier dagen per week als alleenstaande aangemerkt en drie dagen per week als alleenstaande ouder (co-oudernorm). Met ingang van 8 oktober 2013 heeft het college de bijstand van appellant beëindigd omdat appellant de verzochte inlichtingen niet tijdig had verstrekt. Bij besluit van 26 mei 2014 is aan appellant met ingang van 19 maart 2014 weer bijstand toegekend.

1.3.

Naar aanleiding van een onderzoek in het kader van een steekproefcontrole door de afdeling kwaliteit heeft het college bij besluit van 3 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 november 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van

19 maart 2014 herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Daarbij heeft het college bepaald dat de herziening feitelijk wordt geëffectueerd per 1 juni 2014 omdat appellant redelijkerwijs niet kon begrijpen dat hij te veel bijstand ontving. Aan de herziening heeft het college ten grondslag gelegd dat de rechtbank bij de beschikking van

4 september 2009 geen co-ouderschap heeft vastgesteld, maar een normale omgangsregeling, dat van co-ouderschap alleen sprake is als de zorg en het verblijf van de kinderen daadwerkelijk min of meer gelijkwaardig gedeeld wordt door de ouders en dat daarvan in het geval van appellant geen sprake is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 19 maart 2014 tot en met 3 juli 2014.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aan hem toekomende bijstand ten onrechte is herzien naar de norm voor een alleenstaande, omdat sprake is van een constante en gelijkmatig over de ouders verdeelde zorg. Hij heeft al meerdere jaren bijstand ontvangen volgens de co-oudernorm en er is in de feitelijke situatie geen verandering opgetreden. Deze grond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Bij een zogenoemd co-ouderschap, waarbij kinderen beurtelings bij één van de ouders verblijven en de zorg voor hen wordt gedeeld, kan de bijstandbehoevende ouder niet als alleenstaande of alleenstaande ouder in de zin van de WWB worden aangemerkt. Dit betekent dat het bijstandverlenend orgaan in voorkomende gevallen van co-ouderschap de bijstand dient af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het individuele geval en dat het hem daarbij vrijstaat om richtlijnen hierover vast te stellen. De Raad verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:993.

4.3.2.

Het college hanteerde in de hier te beoordelen periode een richtlijn voor de wijze waarop bij co-ouderschap de hoogte van de bijstand wordt vastgesteld. Daarin is tevens opgenomen dat deze richtlijn alleen kan worden toegepast wanneer beide ouders over het

co-ouderschap duidelijke (en langdurige) afspraken hebben gemaakt en deze afspraken daadwerkelijk nakomen, waarbij de feitelijke situatie van belang is. De co-oudernorm is volgens de richtlijn niet bedoeld voor de gevallen waarin de kinderen vrijwel altijd bij de ene ouder verblijven en slechts incidenteel bij de andere ouder. In de hier voorliggende besluitvorming heeft het college nader gepreciseerd dat sprake is van co-ouderschap wanneer de zorg voor en het verblijf van de kinderen daadwerkelijk min of meer gelijkwaardig wordt gedeeld door de ouders. Dit is gelet op 4.3.1 een aanvaardbare invulling van het begrip

co-ouderschap.

4.3.3.

Het college heeft terecht geoordeeld dat met de beschikking van 4 september 2009 geen co-ouderschap is vastgelegd tussen appellant en de andere ouder. Bij deze beschikking is een omgangsregeling vastgesteld in een patroon van twee weken, waarbij het zwaartepunt van het verblijf van en de zorg voor de kinderen niet bij appellant, maar bij de andere ouder is gelegd. Over de verdeling van de kosten van de zorg tussen appellant en de andere ouder is in deze beschikking niets vastgelegd. Appellant heeft te kennen gegeven dat de feitelijke situatie in de te beoordelen periode overeenkwam met de in de beschikking vastgestelde omgangsregeling. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat van een min of meer gelijke verdeling over beide ouders geen sprake is. Dat bij de beschikking van 4 september 2009 de feestdagen en vakantieperiodes (wel) in een gelijke mate over beide ouders zijn verdeeld, maakt dit niet anders. Het is bovendien aanvaardbaar dat over een relatief korte periode van twee weken wordt beoordeeld of sprake is van een min of meer gelijkmatige verdeling over beide ouders van de zorg en het verblijf, zie de uitspraak van 23 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8480.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college de bijstand niet hoefde af te stemmen op de specifieke omstandigheden van appellant en de bijstand van appellant kon vaststellen naar de norm voor een alleenstaande. Dat het college voorafgaande aan de te beoordelen periode, te weten in de periode van 7 november 2010 tot 8 oktober 2013, de norm wel heeft afgestemd door toepassing van de co-oudernorm, maakt niet dat het college deze norm ook naar de toekomst diende voort te zetten.

4.5.

Appellant heeft evenwel terecht aangevoerd dat het college bij het bestreden besluit de norm ten onrechte met terugwerkende kracht heeft herzien. Niet in geschil is dat appellant redelijkerwijs niet hoefde te begrijpen dat hij te veel bijstand ontving. Door de feitelijke effectuering van de herziening per 1 juni 2014 heeft het college appellant niet in de gelegenheid gesteld om zijn uitgavenpatroon af te stemmen op bijstand naar de norm van een alleenstaande. Namens het college is ter zitting te kennen gegeven dat het gebruikelijk is om in gevallen waarin een betrokkene redelijkerwijs niet hoefde te begrijpen dat hij te veel bijstand ontving een gewenningstermijn van zes maanden te hanteren. Het standpunt van het college dat een gewenningsperiode in het geval van appellant niet noodzakelijk was omdat hij, na een periode waarin hij geen bijstand ontving en inteerde op verkregen vermogen, pas weer met ingang van 19 maart 2014 bijstand ontving, wordt niet gevolgd. Zoals onder 1.2 is overwogen, ontving appellant eerder over de periode van 7 november 2010 tot 8 oktober 2013 bijstand naar de co-oudernorm en heeft hij deze norm ook in de periode van intering tot aan het moment van toekenning van bijstand per 19 maart 2014 gehanteerd en daarop zijn uitgavenpatroon gebaseerd.

4.6.

De rechtbank heeft wat onder 4.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij de bijstand is herzien met ingang van 19 maart 2014. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de herziening van de bijstand van appellant naar de norm voor een alleenstaande niet eerder ingaat dan na een gewenningsperiode van zes maanden vanaf het besluit van 3 juli 2014, derhalve per 1 januari 2015. Daarvoor wordt aansluiting gezocht bij de termijn die het college in een dergelijke situatie in acht neemt.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 2.475,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 november 2014 voor zover daarbij de aan appellant toekomende

bijstand is herzien met ingang van 19 maart 2014;

- bepaalt dat de aan appellant toekomende bijstand met ingang van 1 januari 2015 wordt

herzien naar de norm voor een alleenstaande en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 november 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en Y.J. Klik en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C.A.E. Bon

HD