Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
16/4981 MAW-G
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2018:450 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2017:2137. Functiewaardering. Bevordering. Appellant is als militair op een burgerfunctie geplaatst. Dit betekent dat artikel 24, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) geen ruimte biedt voor de door hem gewenste bevordering. Deze bepaling betreft uitsluitend de overgang van een militaire functie naar een volgende militaire functie waaraan een hogere rang is verbonden dan aan de oorspronkelijke functie. Geen omstandigheden op grond waarvan appellant bevorderd zou moeten worden naar de naast hogere rang. Appellant is niet ondergewaardeerd. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4981 MAW-G

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 15 juni 2017

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 21 april 2016, 15/1537 MAW (ECLI:NL:CRVB:2016:1520), heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Den Haag (rechtbank) van 28 januari 2015, 14/976, vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 februari 2014 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door de minister nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Namens appellant heeft mr. W.E. Louwerse beroep ingesteld tegen het nieuwe besluit van de minister van 8 juli 2016 (bestreden besluit).

De minister heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Louwerse. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 17 februari 2009 werd appellant, [rang 1], met ingang van

1 maart 2009 geplaatst op de functie [functie 1]. Die functie was gewaardeerd in schaal 13. De plaatsing is per 1 maart 2012 geëindigd. Vanaf 1 december 2013 bestaat de functie niet meer.

1.2.

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de minister het rekest van appellant van

29 november 2009 om de militaire rang van zijn functie [functie 1] te waarderen overeenkomstig de functie [functie 2] in de rang van [rang 2] afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de minister de functie van [functie 1] alsnog beschreven en advies ingewonnen over de waardering bij het Dienstencentrum Formatieadvies. Het scoreprofiel komt uit op 56 punten en het bezwaar is bij besluit van

2 maart 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Nadat de rechtbank bij uitspraak van 14 maart 2012, 11/3062, het beroep tegen het besluit van 2 maart 2011 gegrond had verklaard, dit besluit had vernietigd en de minister had opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak, heeft de minister bij besluit van 12 februari 2014 het bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

1.4.

Bij uitspraak van de rechtbank van 28 januari 2015, 14/976, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 12 februari 2014 ongegrond verklaard en aan appellant een bedrag van € 1.000,- schadevergoeding toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

1.5.

Bij uitspraak van 21 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1520) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 28 januari 2015 - met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht - vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 februari 2014 vernietigd. De Raad heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak en bepaald dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld. Voorts heeft de Raad de minister veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,- aan appellant. Aan zijn oordeel heeft de Raad, samengevat en voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waardering van zijn functie [functie 1] onjuist is. Uitsluitend het gegeven dat de gelijkluidende functieomschrijving van [functie 2] leidt tot een andere (lees: hogere) functiewaardering maakt dit niet anders. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de functiewaardering van de functie [functie 2] berust op een fout, noch dat een rechtvaardiging bestaat voor het verschil in functiewaardering van de functies [functie 1] en [functie 2] nu sprake is van een identieke functieomschrijving. Tot slot zijn partijen het erover eens dat nog een - aanvullend - bedrag van € 2.000,- schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn door de minister aan appellant moet worden voldaan.

2. Bij het ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 21 april 2016 genomen bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van appellant gegrond verklaard en aan de functie [functie 1] een somscore verbonden van 59 en de functie conform deze somscore ingedeeld in schaal 14 van het Inkomensbesluit burgerlijke ambtenaren Defensie.

3. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op basis van de in het dossier aanwezige stukken alsmede wat ter zitting is besproken neemt de Raad als vaststaand aan dat de functie van [functie 2] een burgerfunctie is. De Raad merkt in dit verband nog op dat uit artikel 6 van de Regeling inzake het aanmerken van functies als organieke militaire- of burgerfuncties niet voortvloeit dat toepassing ervan tot gevolg heeft dat een functie gelijktijdig als militaire- en als burgerfunctie wordt aangemerkt.

3.2.

Appellant heeft betoogd dat nu de functie [functie 1] is gewaardeerd op salarisschaal 14, dit een bevordering naar de rang van [rang 2] tot gevolg moet hebben. Dit betoog slaagt niet. Appellant is als militair op een burgerfunctie geplaatst. Dit betekent dat artikel 24, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) geen ruimte biedt voor de door hem gewenste bevordering. Deze bepaling betreft uitsluitend de overgang van een militaire functie naar een volgende militaire functie waaraan een hogere rang is verbonden dan aan de oorspronkelijke functie. Zoals de Raad eerder heeft overwogen

(11 maart 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025) houdt het systeem van het AMAR in dat bevordering en functietoewijzing onlosmakelijk zijn verbonden, behoudens de

artikelen 24, 24a en 24b van het AMAR limitatief opgesomde specifieke uitzonderingsgevallen. Die uitzonderingsgevallen doen zich in dit geval niet voor. Vergelijk in dit verband ook de uitspraken van de Raad van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU2140 en van 6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2685.

3.3.1.

Voorts heeft appellant betoogd dat hoewel hij als militair op een burgerfunctie is geplaatst het aangewezen is hem een hogere militaire rang toe te kennen. Hij heeft hierbij verwezen naar de in 3.2 genoemde uitspraak van de Raad van 13 oktober 2011. In reactie hierop heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat de in die uitspraak weergegeven mogelijkheid tot bevordering alleen opgaat bij opeenvolgende militaire functies. Los daarvan is de minister van mening dat er in het geheel geen aanleiding bestaat appellant te bevorderen. Hij heeft daarbij verwezen naar de tabel rangbrackets ten behoeve van de

rang-/schaalvaststelling (tabel) en de e-mails van 15 juni 2016 van H., toenmalig [directeur dienst 1] en V., [directeur dienst 2].

3.3.2.

Daargelaten of een militair geplaatst op een burgerfunctie bevorderd kan worden in een militaire rang, is de Raad van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan appellant bevorderd zou moeten worden naar de naasthogere rang van [rang 2]. Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan appellant op geen enkele wijze een toezegging is gedaan. Voorts blijkt uit de tabel dat de somscore van 59 past binnen de bandbreedte van de rang van [rang 3]. Hiermee staat vast dat appellant niet is ondergewaardeerd. Wat appellant nog heeft aangevoerd over het door de minister gevoerde beleid aangaande de somscore van een militaire functie in relatie tot bevordering naar de naast hogere rang of klasse, kan daar, wat er verder ook van zij, niet aan afdoen, omdat dit beleid ziet op (bevordering bij) militaire functies.

3.4.

Appellant heeft voorts betoogd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en heeft hierbij verwezen naar het feit dat de functie [functie 1], in tegenstelling de functie [functie 2], wel een militaire functie is waaraan de rang van [rang 2] is verbonden. Dit betoog slaagt niet. Het bestuursorgaan komt een ruime vrijheid toe bij het bepalen van de inrichting van zijn organisatie. Hieronder moet ook worden begrepen de (wijze van verdeling van de) formatie aangaande militaire- of burgerfuncties, zoals hier aan de orde.

3.5.

Het betoog van appellant dat sprake is van strijd met artikel 5 van de Algemene wet gelijke behandeling heeft hij niet nader onderbouwd, zodat dit betoog reeds hierom niet kan slagen.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3.7.1.

Ten slotte heeft appellant verzocht om - aanvullende - schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd.

3.7.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

3.7.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

3.7.4.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

3.7.5.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Justitie en Veiligheid).

3.7.6.

In het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de datum ontvangst door de minister op 2 maart 2010 van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 28 januari 2010 tot de datum van de uitspraak zijn zeven jaren en ruim drie maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als compleet is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest). De overschrijding van drie jaar en ruim drie maanden, te weten 39 maanden, komt derhalve geheel voor rekening van de minister. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op zeven keer € 500,- dat is € 3.500,-, te betalen door de minister. Omdat de minister reeds een bedrag van € 3.000,- aan appellant heeft voldaan, resteert nog een bedrag van € 500,-, te betalen door de minister.

4. Het geslaagde beroep op overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 501,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting met een weging van 0,5) voor verleende rechtsbijstand en € 27,92 reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 528,92.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD