Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
16/1130 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IVA-uitkering terecht geweigerd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de artsen van het Uwv. De arbeidsdeskundige heeft inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat de functies waarop de schatting is gebaseerd de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1130 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

6 januari 2016, 15/422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 december 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft laatstelijk als fulltime administratief medewerker gewerkt. Hij heeft zich op 9 juli 2012 ziek gemeld. Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft het Uwv, na een beoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, vastgesteld dat voor appellant vanaf

7 juli 2014 recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant met ingang van die datum 60,47% arbeidsongeschikt was.

2. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is, na een beoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij besluit van 15 januari 2015 (bestreden besluit 1) gegrond verklaard voor zover dit bezwaar gericht is tegen het vastgestelde maatmaninkomen. Bij nadere beslissing op bezwaar van 8 september 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv zowel het maatmaninkomen als het dagloon nader vastgesteld. De bezwaren van appellant tegen de mate van arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv niet gehonoreerd.

3.1.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 juli 2014 en de passendheid van de geselecteerde functies.

3.2.

Ten aanzien van de beroepsgronden die zien op de vaststelling van het WIA-dag-,

maand- en maatmanloon heeft appellant op de zitting bij de rechtbank naar voren gebracht dat alleen nog ter discussie staat dat bij de nieuwe berekening van het WIA-maand- en dagloon ten onrechte de 8% vakantietoeslag niet is meegenomen. Het Uwv heeft ter zitting erkend dat dit ten onrechte niet is gebeurd en dat het maandloon en het dagloon opnieuw berekend dienen te worden, waarbij alsnog de 8% vakantietoeslag dient te worden betrokken wat consequenties heeft voor het maatmanloon en arbeidsongeschiktheidspercentage. De rechtbank heeft het beroep gegrond geacht en de bestreden besluiten vernietigd. Omdat de uitwerking van deze uitspraak slechts een financiële is en geen twijfel bestaat over de wijze van berekening heeft de rechtbank het Uwv opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

4. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij nadere beslissing op bezwaar vastgesteld dat het maatmaninkomen € 2.211,54 bedraagt en het dagloon € 101,68 bedraagt.

5.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat bij het vaststellen van zijn belastbaarheid als neergelegd in de FML onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen en dat hij slechts tien uur per week kan werken. Gelet hierop acht appellant de geselecteerde functies niet passend. Appellant heeft verder een besluit van het Uwv van

4 november 2016 overgelegd, waarin is vastgesteld dat hij per 4 april 2016 recht heeft op een IVA-uitkering. Volgens appellant was zijn medische situatie in 2014 niet anders dan in 2016. Appellant meent dat hij ook met ingang van 7 juli 2014 in aanmerking moet worden gebracht voort een IVA-uitkering.

5.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

6.1.

Appellant heeft alleen medische gronden aangevoerd. Dit betekent dat het geding in hoger beroep beperkt is tot de medische beoordeling en de vraag of de aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

6.2.

Er is sprake geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts. Er is lichamelijk en psychisch onderzoek verricht bij appellant en er is rekening gehouden met de beschikbare informatie van de behandelend sector. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd waarom een verdergaande urenbeperking per 7 juli 2014 niet aan de orde is. De overwegingen van de rechtbank over de verzekeringsgeneeskundige beoordeling worden volledig onderschreven. Met de rechtbank wordt het onderzoek door de artsen van het Uwv als zorgvuldig aangemerkt en worden de door deze artsen getrokken conclusies onderschreven. Uit de gegevens van de behandelend psychiater van 20 februari 2013, 25 juli 2014 en 6 september 2016 blijkt dat appellant in behandeling is geweest van begin 2013 tot begin 2015 en dat de psychische beperking van appellant in april 2016 wezenlijk anders was dan tijdens de behandelperiode. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt dan ook geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de artsen van het Uwv. Evenmin geeft de informatie uit de behandelend sector aanleiding om tot het oordeel te komen dat hij met ingang van 7 juli 2014 ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een

IVA-uitkering.

6.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML van 9 juli 2014, bestaat evenmin aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven over de passendheid in medisch opzicht van de geselecteerde functies. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar de rapporten van 22 juli 2014, 11 september 2014 en 12 januari 2015 van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep waarin inzichtelijk en overtuigend is beargumenteerd dat de functies waarop de schatting is gebaseerd de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Er bestaat geen aanleiding hieraan te twijfelen.

7. Gelet op de overwegingen 6.2 en 6.3 slaagt het hoger beroep niet.

8. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

TM