Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
15/6609 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om aan appellante opvang als bedoeld in de Wmo te verlenen. Appellante verblijft in een gezinsopvanglocatie van een asielzoekerscentrum en is haar daarvoor onverplicht opvang door het college verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6609 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 september 2015, 14/6632 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6353, 15/6901, 15/6418, 15/6595, 15/6609, 15/147, 15/6858, 15/7267, 15/4257, 15/6644, 15/6645, 15/6961 en 15/7023 heeft gevoegd plaatsgehad op 26 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Appellante heeft op respectievelijk 28 december 2013 en 11 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder opvang in het Arkingebouw aan het Surinameplein te Amsterdam (de – voormalige – Jellinek) en de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven) is geboden.

1.3.

Het college heeft deze bezwaarschriften aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 16 april 2014 afgewezen.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 4 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college de weigering om aan appellante opvang als bedoeld in de Wmo te verlenen, gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3096, begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat is beslist op zowel de bezwaren van 28 december 2013 en 11 maart 2014 als op het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2014, in die zin dat appellante vanaf 29 november 2013 geen recht had op opvang op grond van de Wmo. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in een gezinsopvanglocatie van een asielzoekerscentrum verblijft en dat haar daarvoor onverplicht opvang door het college is verleend.

4.2.

De Raad kan niet inzien dat de enkele omstandigheid dat het college appellante – onverplicht – heeft toegelaten tot de opvang in de Jellinek en de Vluchthaven, meebrengt dat zij recht heeft op een uitkering of leefgeld naar de norm zoals vermeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Deze beroepsgrond faalt.

4.3.

Ook de beroepsgrond van appellante dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsommen heeft toegekend voor het te laat beslissen op de aanvraag van 29 november 2013 en de bezwaren van 28 december 2013 en 11 maart 2014, slaagt niet. Artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, is niet van toepassing, omdat uit de stukken en hetgeen door partijen is aangevoerd niet blijkt dat het college een (impliciete) beschikking over de dwangsom heeft genomen. Ook doet zich geen situatie voor als bedoeld in artikel 8:55c van de Awb waarin de bestuursrechter desgevraagd een verbeurde dwangsom vaststelt. Dit betekent dat de rechtbank niet over de verschuldigdheid van de dwangsom kon oordelen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2017.

(getekend) N.R. Docter

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB