Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:4477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
17/2457 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld alsnog te komen tot een afdoende onderbouwing van de medische grondslag van het aangevallen besluit. Gelet op wat in 4.3 is overwogen dient bij beoordeling van mogelijkheden van betrokkene te worden uitgegaan van beperkingen zoals Van der Eijk die heeft geformuleerd. Geen indicatie voor urenbeperking. Nieuwe arbeidskundige beoordeling binnen 6 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2457 WAJONG, 17/4948 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 februari 2017, 15/858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 27 december 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. M.O. de Bont, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld, onder overlegging van nadere stukken.

Appellant heeft in reactie op het incidenteel hoger beroep van betrokkene een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Namens betrokkene zijn verschenen

mr. De Bont en de ouders van betrokkene, [namen ouders] .

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1996. Tijdens haar (moeizame) schoolperiode heeft zij contact gehad met diverse psychologen en andere deskundigen. Uiteindelijk heeft betrokkene in 2013 haar schoolopleiding beëindigd. Zij is er niet in geslaagd een diploma te behalen.

1.2.

Op 22 juli 2014 heeft betrokkene een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) in verband met psychische problematiek.

1.3.

Bij besluit van 6 oktober 2014 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong 2010, omdat zij op haar zeventiende verjaardag

(en ook 52 weken nadien) in staat was te werken en daarmee meer dan 75% van haar maatmaninkomen te verdienen. Aan dit besluit zijn een rapport van een verzekeringsarts van 18 september 2014 met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een rapport van een arbeidsdeskundige van 2 oktober 2014 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts is bij het vaststellen van de beperkingen van betrokkene uitgegaan van een paniekstoornis met agorafobie en het syndroom van Asperger (Asperger). Hij is er verder van uitgegaan dat betrokkene hoogbegaafd is. Hij heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van betrokkene.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 oktober 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit zijn een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2015 met bijbehorende FML van 17 februari 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 februari 2015 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast. De door de verzekeringsarts opgenomen voorwaarden van volledig en voorgestructureerd werk heeft hij, mede gelet op de hoogbegaafdheid van betrokkene, geschrapt. Verder heeft hij in verband met de diagnose Asperger een aantal aanpassingen doorgevoerd. Hij heeft betrokkene aangewezen geacht op routine-afhankelijk, goed geordend en gestructureerd werk, uitgevoerd in een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo. Ook heeft hij een beperking opgenomen ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico. Hij heeft verder beperkingen aangenomen ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen, eigen gevoelens uiten, omgaan met conflicten, samenwerken en klantcontacten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, uitgaande van de aangepaste FML, twee van de vijf door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies ongeschikt geacht. Op basis van de drie overblijvende functies was betrokkene volgens haar echter nog altijd in staat het maatmaninkomen te verdienen.

2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hangende het beroep heeft betrokkene diverse stukken overgelegd, waaronder een advies van verzekeringsarts en medisch adviseur E.C. van der Eijk, verbonden aan Triage, van 6 juni 2016. Onder verwijzing naar dit rapport heeft de rechtbank het standpunt van betrokkene onderschreven dat appellant niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de hoogbegaafdheid van betrokkene in combinatie met haar Asperger geen nadere beperking tot het verrichten van arbeid met zich brengt. Hoewel hoogbegaafdheid op zichzelf niet is aan te merken als ziekte of gebrek, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt, zal appellant, gelet op wat betrokkene hierover heeft gesteld, volgens de rechtbank nader moeten motiveren waarom de combinatie hoogbegaafdheid en Asperger geen nadere beperking tot het verrichten van arbeid rechtvaardigt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Van der Eijk in zijn advies van 6 juni 2016 vermeldt dat onderbelasting/onderprikkeling – net als overbelasting – in het algemeen tot allerlei medische klachten kan leiden en dat het risico hierop bij betrokkene nog groter is als gevolg van haar psychische problematiek en hoogbegaafdheid. Volgens Van der Eijk zal betrokkene daardoor eerder gaan piekeren en zullen daardoor de spanningen, angsten en paniek oplopen. Bovendien, zo stelt Van der Eijk, zou dit het negatief zelfbeeld van betrokkene kunnen versterken met dientengevolge ook (reactieve) klachten. Volgens Van der Eijk moeten de werkzaamheden daarom qua intellectueel niveau aansluiten bij het niveau van betrokkene dan wel van zodanig niveau zijn dat van onderbelasting geen sprake is. De rechtbank heeft het standpunt van Van der Eijk in beginsel aannemelijk geacht. Daarmee heeft betrokkene een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de deugdelijkheid van de motivering van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangedragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier niet kunnen volstaan met de mededeling dat hoogbegaafdheid geen ziekte of gebrek is. De rechtbank heeft dit aangemerkt als een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat het geconstateerde motiveringsgebrek enkel ziet op de combinatie hoogbegaafdheid en de diagnose Asperger. Voor het overige is de medische grondslag van het bestreden besluit wel deugdelijk gemotiveerd. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in aangevallen uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en appellant opgedragen het door betrokkene betaalde griffierecht te vergoeden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hoogbegaafdheid geen ziekte of gebrek is, maar een persoonskenmerk en zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de combinatie van hoogbegaafdheid en Asperger zoals betrokkene die heeft, vraagt om een nadere motivering van de beperkingen. Appellant heeft ter zitting nader toegelicht dat bij het vaststellen van de beperkingen die iemand heeft moet worden geabstraheerd van zijn of haar persoonskenmerken.

3.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar het door de rechtbank aangehaalde advies van Van der Eijk, betoogd dat appellant haar beperkingen heeft onderschat. In de FML moet volgens haar in de rubriek 1.9 als specifieke voorwaarde voor het persoonlijk functioneren in arbeid worden toegevoegd dat zij aangewezen is op werkzaamheden zonder een monotoon en repeterend karakter. De reden hiervoor is dat dergelijke werkzaamheden spanningsklachten en concentratieproblemen opleveren. Betrokkene is gevoelig voor onderprikkeling. Daarbij heeft zij toegelicht dat deze gevoeligheid voor onderprikkeling uitsluitend betrekking heeft op haar cognitieve belasting en niet op omgevingsfactoren. Zij is in haar visie aangewezen op werkzaamheden met een cognitieve uitdaging, maar deze werkzaamheden dienen wel uitgevoerd te worden in een rustige omgeving. Volgens betrokkene bestaat daarnaast aanleiding voor een urenbeperking. Voltijds werken acht zij niet haalbaar. Ter onderbouwing hiervan heeft zij in het bijzonder gewezen op een psychologisch rapport van 23 mei 2016, opgemaakt door

drs. R.M.T. Mokveld en drs. S.C.L. Leeuwenburgh, verbonden aan Het Blikveld. Betrokkene heeft voorts betoogd dat zij niet in staat is de voor haar geselecteerde functies te vervullen. Zij heeft daartoe verwezen naar een op haar verzoek door arbeidsdeskundige

E. Schipper-van der Bruggen uitgebracht advies van 10 juli 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij deze zaak zijn twee verzekeringsartsen bezwaar en beroep betrokken geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep die in hoger beroep bij de zaak betrokken is geweest stelt in haar rapport van 29 mei 2017 dat de hoogbegaafdheid van betrokkene niet eenduidig vaststaat. De eerder bij de zaak betrokken verzekeringsarts bezwaar en beroep is echter, evenals de verzekeringsarts, zonder meer uitgegaan van hoogbegaafdheid. Appellant heeft over dit verschil ter zitting geen duidelijkheid kunnen geven. Voor zover appellant de hoogbegaafdheid van betrokkene betwist wordt appellant daarin niet gevolgd. Uit de stukken komt naar voren dat betrokkene in het verleden door diverse instanties als hoogbegaafd is aangemerkt en ook de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van appellant zijn daar tot het hoger beroep van uitgegaan. De stukken bevatten geen aanknopingspunten om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

4.2.

Appellant heeft in zijn reacties op door betrokkene in de procedure ingebrachte stukken en naar aanleiding daarvan door betrokkene ingenomen standpunten steeds herhaald dat hoogbegaafdheid geen ziekte of gebrek is, maar een persoonskenmerk. Ook in hoger beroep heeft appellant dit gedaan. Noch door betrokkene, noch door de door haar ingeschakelde verzekeringsarts Van der Eijk is echter betoogd dat hoogbegaafdheid een ziekte of gebrek is. De ziekte waaraan betrokkene lijdt is Asperger. Betoogd is slechts dat voor de vaststelling van de beperkingen die hieruit voor betrokkene voortvloeien betrokkene moet worden genomen zoals zij is, dat wil zeggen met haar persoonskenmerken die te maken hebben met het psychisch en sociaal functioneren, waaronder haar hoogbegaafdheid. Dit standpunt is juist en wijkt niet af van wat in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem als “zo zijn” is geduid.

4.3.

Van der Eijk heeft in zijn advies van 6 juni 2016 een gedegen inventarisatie gemaakt van alle relevante rapporten die in de loop der jaren over betrokkene zijn opgemaakt. Daarbij is terecht aandacht besteed aan de diagnose Asperger en ook aan de door GGZ vermelde diagnose paniekstoornis en angststoornis met gemengde angst en depressieve stemmimg. Wat Van der Eijk over de rapporten heeft vermeld vormt een getrouwe weergave van in deze rapporten opgenomen informatie. Van der Eijk heeft vervolgens, vanuit zijn eigen expertise als verzekeringsarts, op inzichtelijke wijze toegelicht welke gevolgen haar Asperger voor betrokkene heeft. Zijn standpunt dat bij betrokkene intellectuele onderbelasting voorkomen moet worden, omdat zij daardoor eerder zal gaan piekeren, met als gevolg oplopende spanningen, angsten en paniek is goed te volgen en is in lijn met de beschrijving van de spagaat waarin betrokkene functioneert en de gevolgen daarvan, zoals vermeld in de brief van psychiater P.H.G.M. Borghaerts van 23 september 2016. De naar zijn mening op te nemen extra beperking dat betrokkene aangewezen is op werkzaamheden zonder een monotoon en repeterend karakter is hiervan een logische uitwerking.

4.4.

De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld alsnog te komen tot een afdoende onderbouwing van de medische grondslag van het aangevallen besluit. Gelet op wat in 4.3 is overwogen over het advies van Van der Eijk wordt geoordeeld dat thans afdoende vaststaat dat bij de beoordeling van de mogelijkheden van betrokkene moet worden uitgegaan van de beperkingen zoals Van der Eijk die heeft geformuleerd. Dat wil zeggen dat aan de beperkingen zoals die zijn neergelegd in de aangepaste FML van 17 februari 2015 in de rubriek 1.9 als specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid moet worden toegevoegd dat betrokkene aangewezen is op werkzaamheden zonder een monotoon en repeterend karakter. Voor het opnemen van een urenbeperking, zoals door betrokkene bepleit, wordt geen aanleiding gezien. Hiertoe wordt verwezen naar het advies van

Van der Eijk, waarin hij gemotiveerd heeft uiteengezet dat er, zoals ook door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gesteld, geen verzekeringsgeneeskundige indicatie is voor een urenbeperking.

4.5.

Uitgaande van de beperkingen zoals beschreven in 4.4 zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling moeten plaatsvinden. Een bespreking van de eerder geselecteerde functies is daarom thans niet opportuun.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het bestreden besluit berust op een gebrekkige motivering, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven deze gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 4 maart 2015 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

UM